

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Anna.
Ik woon in een klein huis in Amsterdam.
Elke ochtend drink ik koffie bij het raam.
Ik kijk naar de straat.
De bomen zijn groen.
De lucht ruikt fris.
De zon schijnt door het raam.
Het licht is warm op mijn gezicht.
Ik hoor vogels buiten.
Ze zingen elke ochtend hetzelfde liedje.
De koffie is warm in mijn handen.
Ik drink langzaam.
Het is een rustig moment.
Vandaag is een bijzondere dag.
Ik krijg een brief in de bus.
De bus is rood en staat naast de deur.
Ik hoor de bus open en dicht gaan.
Ik loop naar de deur.
Daar ligt een witte envelop.
De brief is van een man die ik niet ken.
Ik open de brief langzaam.
Mijn handen trillen een beetje.
Het papier is dun en wit.
De inkt is zwart.
Het ruikt naar papier en post.
De brief is kort.
Er staat: 'Ik ben de vader van een kind.
Dat kind woont bij een gezin.
Ik wil hem graag zien.' Ik lees de woorden twee keer.
De letters zijn klein en netjes.
Ik voel een beetje spanning in mijn buik.
De brief is simpel, maar de woorden zijn groot.
Ik lees de brief nog een keer.
Ik begrijp het niet goed.
Ik bel mijn vriendin Sara.
Sara woont twee straten verder.
Zij is altijd rustig en slim.
Haar stem is kalm.
'Hallo, met Sara.' 'Sara, ik heb een brief gekregen,' zeg ik.
'Van een man die ik niet ken.' Mijn stem trilt een beetje.
'Wat staat er in de brief?' vraagt Sara.
'Hij schrijft over een kind,' zeg ik.
'Hij wil zijn kind zien.' Sara zegt: 'Dat is heel moeilijk.
Soms weten kinderen niet wie hun vader is.' Ze is even stil.
'Maar het is ook mooi dat hij het wil.' Ik denk aan die woorden.
Ik zet de brief op tafel.
De tafel is van hout.
Er staat een vaas met bloemen op.
De bloemen zijn geel en wit.
Ze ruiken zoet.
Ik drink mijn koffie.
De koffie is warm en lekker.
Maar ik denk steeds aan de brief.
De woorden zitten in mijn hoofd.
Na een uur ga ik naar buiten.
Ik loop naar het park.
Het park is vlakbij mijn huis.
De lucht is blauw.
Er zijn veel mensen.
Kinderen spelen op het gras.
Een hond rent achter een bal aan.
De bal is rood.
De hond blaft vrolijk.
Ik hoor gelach en gepraat.
De zon voelt warm op mijn huid.
Ik ga op een bankje zitten.
Het bankje is groen.
Het hout is een beetje oud.
Ik kijk naar de kinderen.
Een klein jongetje valt op het gras.
Hij huilt even.
Zijn knie is vies.
Maar dan staat hij op.
Hij lacht weer.
Zijn vader loopt naar hem toe.
De vader pakt de hand van het jongetje.
Ze lopen samen verder.
De hand van de vader is groot en stevig.
Ik kijk naar hen.
Ik denk: een vader en een kind horen bij elkaar.
Dat is heel belangrijk.
De man in de brief wil dat ook.
Dat gevoel is sterk.
Ik voel het in mijn borst.
Ik ga terug naar huis.
De straat is stil.
Ik hoor mijn eigen stappen.
Ik pak de brief weer.
Ik lees hem nog een keer.
De woorden zijn nog steeds hetzelfde.
Dan schrijf ik een brief terug.
Ik pak een pen.
De pen is blauw.
Ik schrijf langzaam: 'Ik heb uw brief gelezen.
Ik begrijp dat u uw kind wilt zien.
Dat is een groot gevoel.
Ik hoop dat het goed gaat.' De letters zijn netjes.
Ik lees de brief nog een keer.
Het is goed.
Ik doe de brief in een envelop.
De envelop is wit.
Ik schrijf het adres erop.
Het adres staat in de brief.
Ik plak een postzegel.
De postzegel is oranje.
Dan loop ik naar de brievenbus op de hoek.
De bus is groot en rood.
Ik doe de envelop erin.
Ik hoor het papier vallen.
Het is klaar.
Sara belt me die avond.
De telefoon gaat.
'Heb je iets gedaan met de brief?' vraagt ze.
'Ja,' zeg ik.
'Ik heb teruggeschreven.' 'Dat is goed van jou,' zegt Sara.
'Soms heeft iemand gewoon een klein woord nodig.' Ik glimlach.
Sara heeft gelijk.
Een klein woord kan veel betekenen.
Ik denk aan de man en het kind.
Ik hoop dat ze elkaar zien.
Dat zou mooi zijn.
Ik ga naar bed.
Buiten is het stil.
De straat is leeg.
De maan schijnt door het raam.
Ik voel me rustig.
De dag was bijzonder.
Morgen is er weer een nieuwe dag.
En misschien een nieuwe brief.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze