

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mark woont in Amsterdam.
Hij woont in een huis.
Het huis is groot.
Het huis is mooi.
Mark is een man.
Hij heeft honger.
Hij gaat naar de keuken.
Hij maakt eten.
Hij maakt soep.
De soep is warm.
De soep is rood.
Mark houdt van soep.
Hij eet de soep.
Hij drinkt water.
Het water is koud.
Mark is blij.
Het is avond.
Het is donker buiten.
Het regent een beetje.
Mark kijkt naar buiten.
Hij ziet de straat.
De straat is nat.
Hij ziet een auto.
De auto is blauw.
Dan is er iets.
Het is heel hard.
Boem!
Wat is dat?
Mark weet het niet.
De lepel valt op de grond.
Mark kijkt uit het raam.
Hij ziet vuur.
Het vuur is groot.
Het vuur is geel.
Het vuur is rood.
Het is bij een winkel.
De winkel is kapot.
Het raam is kapot.
De deur is kapot.
Wat doen ze daar?
Hij ziet twee mannen.
De mannen rennen weg.
Ze rennen heel hard.
Ze hebben zwarte jassen aan.
Ze zijn slechte mannen.
Ze doen slechte dingen.
Mark roept zijn buurvrouw.
De buurvrouw heet Sophie.
Sophie komt naar buiten.
Ze kijkt ook.
"Wat is dat?" vraagt Sophie.
"Ik weet het niet," zegt Mark.
"Ik zie vuur," zegt Sophie.
"Ja, heel veel vuur," zegt Mark.
Ze kijken samen.
Ze zien een auto.
De auto is van de politie.
De politie komt snel.
De auto heeft blauw licht.
Het licht is heel fel.
Twee agenten stappen uit.
Een agent is een man.
Een agent is een vrouw.
Ze lopen naar de winkel.
Ze kijken naar het vuur.
Ze kijken naar het raam.
Mark en Sophie kijken.
Ze staan voor het raam.
Het is koud.
Mark pakt een jas.
De jas is dik.
Sophie heeft ook een jas.
Ze wachten.
De politie zoekt.
Ze zoeken de slechte mannen.
De mannen zijn weg.
Ze rennen in de stad.
De politie zoekt in de straat.
Ze zoeken in het park.
Mark gaat weer naar binnen.
Hij heeft nog honger.
Hij kijkt naar zijn soep.
De soep is nu koud.
Dat is jammer.
Mark pakt een broodje.
Hij eet het broodje.
Het broodje is met kaas.
Kaas is lekker.
Sophie gaat ook naar binnen.
Ze gaat naar haar huis.
Ze gaat slapen.
Het is laat.
Mark zit op de bank.
Hij kijkt tv.
Hij ziet het nieuws.
Het nieuws is op tv.
De man op tv zegt iets.
Hij zegt iets over de winkel.
Hij zegt iets over het vuur.
Hij zegt: "Slechte mannen doen dit." Mark knikt.
Hij weet dat.
Hij ziet de mannen weer.
Hij ziet ze rennen.
Mark pakt zijn telefoon.
Hij belt zijn moeder.
Zijn moeder woont ver weg.
"Hallo mama," zegt Mark.
"Hallo Mark," zegt zijn moeder.
"Alles goed?" vraagt ze.
"Ja," zegt Mark.
"Er is vuur in de straat." Zijn moeder roept: "Oh nee!" "Ben je oké?" vraagt ze.
"Ja, ik ben oké," zegt Mark.
"Ik eet een broodje." Zijn moeder lacht.
Mark lacht ook.
Hij is in zijn huis.
Zijn huis is goed.
De politie is in de straat.
Ze doen hun werk.
Ze zoeken de mannen.
Mark gaat naar bed.
Hij is moe.
Hij gaat slapen.
Morgen is een nieuwe dag.
Morgen gaat hij werken.
Hij werkt in een school.
Hij is leraar.
Hij houdt van zijn werk.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze