Alle podcasts

Een Dag bij Zee

Ik ben Rick.

Ik ben leraar.

Ik kom uit Den Haag.

Vandaag ga ik naar zee.

Het strand is bij Rotterdam.

Ik ga met Noa en Sam.

Noa heeft een rode tas.

Sam heeft een blauwe hoed.

Ik heb brood en kaas.

Ik heb ook sap.

De bus komt.

Wij gaan in de bus.

Ik zie de stad.

Ik zie auto na auto.

Sam kijkt naar zijn hoed.

De hoed is blauw.

Sam zegt: 'Mijn hoed is mooi.' Noa zegt: 'Mijn tas is mooi.' Ik zeg: 'Mijn brood is mooi.' Noa lacht.

Sam lacht.

Het brood lacht niet.

Het brood is stil.

Bij zee is de zon geel.

De lucht is blauw.

De wind is warm.

Ik ruik zout.

Ik ruik patat.

Ik hoor de zee.

Ik hoor een kind.

Het kind zingt.

Het lied is kort.

Het strand is groot.

Er zijn veel mensen.

Er zijn ook grote kinderen.

Zij spelen met een bal.

De bal is rood.

De bal gaat hoog.

Een man in geel staat bij de bus.

Een vrouw in geel staat bij het zand.

Zij zeggen: 'Hallo.' Zij kijken naar het strand.

Zij helpen mensen.

Er is een bord.

Het bord is wit.

Op het bord staat een plan.

Het plan is simpel.

Loop goed.

Praat zacht.

Speel hier.

Eet daar.

Vraag hulp bij geel.

Noa leest het bord.

Zij zegt: 'Ik speel hier.' Sam zegt: 'Ik eet daar.' Ik zeg: 'Ik drink sap hier.' Noa lacht weer.

Sam eet een stuk brood.

Hij heeft kaas op zijn neus.

Noa ziet de kaas.

Zij zegt: 'Sam, je neus eet ook.' Sam kijkt scheel naar zijn neus.

Ik lach.

Een meisje naast ons lacht ook.

Sam zegt: 'Mijn neus heeft honger.' Hij eet de kaas snel op.

Nu is zijn neus schoon.

Dan gaat zijn hoed weg.

De wind neemt de hoed.

De hoed gaat over het zand.

Sam roept: 'Hoed, kom hier!' De hoed hoort niks.

Noa loopt naar de hoed.

Zij pakt de hoed.

Zij geeft de hoed aan Sam.

Sam zet de hoed op.

De hoed zit scheef.

Noa zegt: 'Nu ben jij kapitein.' Sam zegt: 'Ik ben kapitein Koek.' Hij neemt een koek.

De koek zit in zijn hand.

Hij telt zijn koek.

Een koek.

Twee koek.

Drie koek.

Hij telt weer.

Een koek.

Twee koek.

Drie koek.

Noa zegt: 'Sam, het is nog drie.' Sam zegt: 'Ja, maar ik oefen.' Ik zeg: 'Dat is goed voor taal.' Wij zitten op een kleed.

Het kleed is groen.

Mijn voeten zijn in het zand.

Het zand is warm.

Ik drink sap.

Noa drinkt water.

Sam drinkt sap.

Een jongen komt bij ons.

Hij heeft een bal.

Hij zegt: 'Mag ik hier spelen?' Ik zeg: 'Ja, daar is plek.' De jongen speelt daar.

Hij speelt goed.

De man in geel zegt: 'Goed zo.' De vrouw in geel zegt: 'Fijne dag.' Alle mensen lopen goed.

Alle kinderen spelen goed.

Het plan helpt.

Het strand voelt fijn.

Ik kijk naar Noa.

Ik kijk naar Sam.

Zij zijn goed samen.

Ik denk: dit is een mooie dag.

Ik ben Rick uit Den Haag.

Ik zeg: 'Taal is ook op zee.' Noa zegt: 'En kaas op een neus.' Sam zegt: 'En koek, veel koek.' Wij lachen.

De zon is nog geel.

De zee is nog blauw.

Ik ruik zout en patat.

Wij gaan naar de bus.

Sam houdt zijn hoed vast.

Noa houdt haar tas vast.

Ik houd het brood vast.

Het brood is nog stil.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze