

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is vroeg in de ochtend.
De lucht is nog een beetje grijs, maar boven de velden komt langzaam een zachte gele gloed.
Ik fiets over een smal pad door de weilanden van Drenthe.
De wind ruikt naar nat gras en verse aarde.
In de verte hoor ik een koekoek.
Het is lente.
Echt lente.
Naast me loopt Bram.
Bram is een grote, bruine labrador.
Hij is bijna tien jaar oud, maar als hij de geur van een konijn ruikt, wordt hij weer een puppy.
Zijn staart zwaait heen en weer.
Hij trekt aan de lijn.
Ik hou hem stevig vast. ‘Rustig, Bram,’ zeg ik. ‘We zijn niet alleen hier.’ Bram kijkt me aan met zijn grote, bruine ogen.
Dan snuffelt hij weer aan een graspol.
Ik glimlach.
Dit is ons ochtendritueel.
Elke dag, weer of geen weer.
We fietsen langs een oude boerderij.
Het dak is van riet.
De muren zijn witgekalkt.
In de tuin staat een oude appelboom.
De takken zijn nog kaal, maar de knoppen zijn dik en groen.
Over een paar weken hangt de boom vol met roze bloesem.
Ik kan niet wachten.
Dan zie ik iets bewegen in het hoge gras.
Ik stop.
Bram trekt nog harder. ‘Nee, Bram.
Blijf.’ Het is een fazant.
Een mannetje.
Zijn veren glanzen in het ochtendlicht.
Rood, groen, goud.
Prachtig.
Hij loopt rustig door het gras.
Hij is niet bang.
Waarom zou hij?
Hier in Drenthe is het stil.
Er zijn weinig mensen.
Alleen boeren, vogels en wandelaars zoals ik.
Maar dan hoor ik een geluid.
Een stem. ‘Meneer!
Uw hond!’ Ik kijk om.
Een vrouw komt aangelopen.
Ze draagt een groene jas en laarzen.
Ze zwaait met haar arm. ‘Uw hond moet aan de lijn!
Het is broedseizoen!’ Ik kijk naar Bram.
Hij zit netjes naast me.
De lijn zit vast aan zijn halsband. ‘Hij zit al aan de lijn, mevrouw,’ zeg ik vriendelijk.
De vrouw komt dichterbij.
Ze kijkt streng. ‘Ja, maar u fietst.
Dat mag niet.
Honden mogen hier niet loslopen, ook niet aan de lijn naast de fiets.
Dat verstoort de vogels.’ Ik zucht. ‘Ik wist niet dat dat ook niet mocht.’ ‘Het staat op de borden bij de ingang,’ zegt ze. ‘U moet op de paden blijven.
En uw hond moet aangelijnd zijn.
Altijd.
Zeker in het voorjaar.’ Ik knik. ‘Sorry.
Ik zal het niet meer doen.’ De vrouw knikt terug. ‘Dank u.
Het is voor de vogels.
Ze broeden nu.
Als ze gestoord worden, verlaten ze hun nest.
Dan gaan de eieren kapot.’ Ze loopt verder.
Ik kijk naar Bram. ‘Nou, Bram.
We moeten wandelen, niet fietsen.’ Bram kwispelt.
Het maakt hem niet uit.
Als hij maar buiten is.
Ik zet mijn fiets aan de kant en pak de lijn stevig vast.
We lopen verder over het pad.
Het grind knispert onder onze voeten.
De zon komt nu echt door.
De dauw op het gras glinstert.
In de verte hoor ik een leeuwerik.
Zijn lied klinkt hoog en vrolijk.
Ik voel me rustig worden.
De irritatie van de vrouw zakt weg. ‘Ik snap het wel,’ mompel ik tegen Bram. ‘Zij beschermt de vogels.
Wij zijn te gast in hun huis.’ We lopen langs een sloot.
Het water is helder.
Ik zie kleine visjes zwemmen.
Een reiger staat roerloos aan de kant.
Hij wacht op een vis.
Ik blijf staan om te kijken.
Bram zit naast me.
Hij hijgt zacht.
Hij vindt de reiger niet interessant.
Dan hoor ik een geluid in de verte.
Een tractor.
De boer is bezig met zijn land.
Het land is nog nat van de regen.
Hij ploegt de aarde om.
De geur van verse aarde komt mijn kant op.
Ik vind het lekker ruiken.
Het ruikt naar nieuw begin.
We lopen verder.
Na een half uur komen we bij een bankje.
Ik ga zitten.
Bram gaat liggen.
Hij legt zijn kop op mijn voet.
Ik kijk uit over de weilanden.
In de verte zie ik schapen.
Ze lopen rustig te grazen.
De lammetjes springen in het rond.
Het is een prachtig gezicht. ‘Dit is waarom we hier wonen, Bram,’ zeg ik. ‘Geen files, geen lawaai.
Alleen maar ruimte.’ Bram zucht.
Hij is het met me eens.
Ik denk aan de vrouw.
Ze had gelijk.
Ik moet beter opletten.
De regels zijn er niet voor niets.
In het voorjaar is de natuur kwetsbaar.
Elk jaar komen er minder vogels.
Dat las ik in de krant.
Door droogte, door stikstof, door te veel mensen.
Ik wil niet een van die mensen zijn die de natuur kapot maakt.
Ik sta op. ‘Kom, Bram.
We gaan naar huis.’ Bram staat langzaam op.
Hij strekt zijn poten.
Dan loopt hij met me mee.
De zon staat nu hoog aan de hemel.
Het is een mooie dag.
Ik voel me dankbaar.
Dankbaar dat ik hier mag wonen.
Dankbaar dat Bram bij me is.
Dankbaar dat er mensen zijn die de natuur beschermen, ook als ze streng zijn.
Thuis aangekomen, doe ik Brams halsband af.
Hij gaat meteen naar zijn mand.
Ik schenk een kop koffie in.
Ik kijk door het raam.
In de tuin zie ik een merel.
Hij hupt over het gazon.
Hij zoekt wormen.
Ik glimlach.
Het is lente.
Echt lente.
Tot de volgende keer.
Blijf oefenen met luisteren en spreken.
Ga naar dutchfluency.com slash transcripts.
Daar kun je de interactieve speler openen.
Tik op een woord als je vastloopt.
Succes!
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze