

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ah, ik heb een vriend, hij heet Jan. Jan en ik zijn goeie vrienden. We zijn samen begonnen met studeren.
Ik ben klaar met studeren. Jan is nog niet klaar. Hij woont nog in de stad. Jan zegt dat hij bijna klaar is met studeren.
Maar hij is nog steeds niet klaar. Hij zegt dat hij ADD heeft. Dat is moeilijk voor hem. Ik begrijp dat.
Maar ik vind het vreemd. Hij zegt al lang dat hij bijna klaar is. Ik denk dat Jan een schijn student is.
Dat betekent dat hij wel studeert, maar niet echt. Misschien studeert hij niet meer. Dat vind ik niet goed.
Ik wil Jan helpen, maar ik weet niet hoe. Ik praat met Jan. Ik vraag hem over zijn studie. Hij zegt dat het goed gaat.
Maar ik denk dat hij niet de waarheid zegt. Ik wil hem helpen, maar ik weet niet hoe. Ik vraag aan andere mensen.
Zij zeggen dat ik met Jan moet praten. Ik moet hem zeggen dat ik hem wil helpen. Dat is moeilijk. Maar ik wil het doen.
Ik wel Jan. Ik zeg Jan, ik wil je helpen. Ik denk dat je niet echt studeert. Ik wil je helpen. Jan is still. Dan zegt hij hier. Dank je.
Ik heb hulp nodig. Ik ben blij. Ik kan Jan helpen. We gaan samen praten. We gaan een plan maken. Jan gaat weer echt studeren.
Ik ben blij dat ik Jan kan helpen. Nee, ik leer iets belangrijks. Soms is het moeilijk om te helpen.
Maar het is belangrijk om te proberen. Ik ben blij dat ik het heb gedaan. Ik ben een goede vriend voor Jan. En Jan is een goede vriend voor mij.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze