Alle podcasts

Weekrecap — 14 juni t/m 21 juni

# Weekrecap Dutch News Stories - A2 — 2026-W25 Hieronder volgen de afleveringen van deze week.

Vat ze samen in één natuurlijke Nederlandse Deep Dive aflevering: geef per aflevering de kerngedachte, link de verhalen aan elkaar waar dat kan, en sluit af met wat luisteraars deze week kunnen meenemen. ## Taalniveau Dit is een A2 aflevering.

Spreek rustig en in korte, duidelijke zinnen passend bij A2.

Vermijd zeldzame woorden en complexe constructies; leg lastige begrippen kort uit als ze nodig zijn. ## Weekrecap — 7 juni t/m 14 juni # Weekrecap Dutch News Stories - A2 — 2026-W24 Hieronder volgen de afleveringen van deze week.

Vat ze samen in één natuurlijke Nederlandse Deep Dive aflevering: geef per aflevering de kerngedachte, link de verhalen aan elkaar waar dat kan, en sluit af met wat luisteraars deze week kunnen meenemen. ## Taalniveau Dit is een A2 aflevering.

Spreek rustig en in korte, duidelijke zinnen passend bij A2.

Vermijd zeldzame woorden en complexe constructies; leg lastige begrippen kort uit als ze nodig zijn. ## Het Gevaar in de Grot Hallo allemaal.

Ik ben Rick uit Den Haag.

Vandaag vertel ik jullie een nieuw verhaal.

Het gaat over Tom en Lisa.

Ze zijn op vakantie in een mooi land.

Het land heet Laos.

Het is er erg warm en groen.

Vandaag bezoeken ze een klein dorp.

Het dorp ligt naast een grote berg.

In de berg is een diepe grot.

De grot is erg donker en koud.

Tom en Lisa lopen door het dorp.

Ze horen vogels zingen in de bomen.

Ze zien een man bij een café.

De man heet Boun.

Boun is een gids in het dorp.

Hij weet veel over de bergen.

Tom en Lisa hebben dorst gekregen.

Ze kopen een koud drankje.

Ze gaan naast Boun aan een tafel zitten.

"Hallo," zegt Tom vriendelijk tegen de gids.

"Mogen wij straks in de grot kijken?" Boun kijkt ineens heel serieus.

Hij schudt langzaam zijn hoofd.

"Nee, dat mag helaas niet," zegt Boun.

"De grot is nu helemaal gesloten." Lisa kijkt verbaasd naar Boun.

"Waarom is de grot dicht?" vraagt ze.

Boun neemt een slok van zijn water.

Hij vertelt dan een verdrietig verhaal.

"Mensen zoeken soms goud in de grot," zegt hij.

"Goud is natuurlijk veel geld waard.

Vorige week gingen twee mannen naar binnen.

Ze wilden heel graag goud vinden.

Maar ze kwamen niet meer naar buiten." Tom en Lisa schrikken van het verhaal.

"Zijn de mannen nog in de grot?" vraagt Tom.

Boun knikt langzaam met zijn hoofd.

"Ja, ze zijn nog binnen," zegt hij zacht.

"Veel mensen hebben naar de mannen gezocht.

De politie was er natuurlijk ook bij.

Ze zochten met grote lampen.

Ze riepen de namen van de mannen.

Maar ze vonden helemaal niets in het donker." Lisa vindt het een erg verhaal.

"Zoeken ze nu nog steeds?" vraagt ze.

"Nee," zegt Boun met een zachte stem.

"Ze stoppen vandaag met zoeken.

Het is nu te gevaarlijk." "Waarom is het gevaarlijk?" vraagt Tom.

"Het regent heel veel in Laos," legt Boun uit.

"Het water in de grot stijgt snel.

De grot staat nu vol met koud water.

Mensen kunnen echt niet meer naar binnen.

De politie stopt daarom met zoeken.

Ze kunnen de mannen niet meer helpen." Tom en Lisa zijn even helemaal stil.

Ze kijken samen naar de grote berg.

"Dat is heel erg voor hun familie," zegt Lisa.

"De familie is vast heel verdrietig." Boun knikt weer en kijkt naar de grond.

"Ja, het is een moeilijke tijd," zegt hij.

"Goud zoeken is heel gevaarlijk werk." Tom pakt de hand van Lisa vast.

"Wij gaan niet naar de grot," zegt hij.

"Wij blijven veilig hier in het dorp." Lisa is het daarmee eens.

"Laten we iets leuks doen," zegt ze.

"We kunnen een cadeautje kopen voor thuis." Ze bedanken Boun voor zijn eerlijke verhaal.

Dan lopen ze naar een kleine winkel.

De winkel verkoopt veel mooie spullen.

Lisa ziet een mooie rode sjaal liggen.

De sjaal is heel erg zacht.

"Deze sjaal is prachtig," zegt Lisa blij.

Ze koopt de sjaal voor haar moeder.

Tom koopt een klein houten beeldje.

Het beeldje lijkt precies op een olifant.

Ze zijn erg blij met hun spullen.

Ze lopen rustig terug naar hun hotel.

Ze eten daar een lekkere maaltijd.

Ze eten witte rijst met verse groenten.

Tijdens het eten praten ze nog veel.

Ze praten over de mannen in de grot.

Ze hopen dat de familie veel steun krijgt.

Daarna gaan ze naar hun eigen kamer.

Ze zijn erg moe van de lange dag.

Tom leest nog een stukje in een boek.

Lisa schrijft een verhaal in haar dagboek.

Ze schrijft over het mooie kleine dorp.

Ze schrijft ook over het verdrietige verhaal.

Morgen reizen ze weer verder met de bus.

Ze gaan naar een grote stad.

Tot de volgende keer. ## Een Spannende Dag in de Haven Hallo allemaal.

Ik ben Rick, jullie taalleraar uit Den Haag.

Vandaag heb ik een spannend verhaal voor jullie.

Het gaat over werk in de haven.

Luister maar mee.

Tom werkt in de grote haven van Vlissingen.

Het is heel vroeg in de ochtend.

Tom drinkt eerst een grote kop koffie.

De koffie is warm en lekker.

Hij eet ook een boterham met kaas.

Dan fietst hij naar zijn werk.

De lucht is donker en koud.

De wind waait hard over het water.

Tom draagt een dikke, warme jas.

Hij draagt ook gele handschoenen.

Hij houdt van zijn w ## Warme Wind in de Bloemenwinkel Het is vroeg in Leiden.

De straat is nat van de regen.

Bij bloemenwinkel De Groene Kat brandt licht.

Noor zet gele tulpen in een hoge vaas.

De bloemen ruiken fris en een beetje zoet.

Naast de deur staat een bak met aarde.

Milan komt binnen met rode wangen.

Hij werkt vandaag voor het eerst mee.

Zijn jas is nog nat.

Goedemorgen, zegt Noor.

Pak eerst een doek, want de vloer is glad.

Ik ben al bijna gevallen, zegt Milan lachend.

Dat telt als dansen, toch?

Noor lacht ook.

Op de plank speelt een kleine radio.

Een man praat over ver weg wit land.

Hij zegt: Op Antarctica is het deze winter heel warm.

Het is twintig graden warmer dan vaak in deze maand.

Milan stopt met vegen.

Twintig graden, zegt hij.

Dat is bijna mijn woonkamer.

Noor kijkt naar de deur.

Buiten rijdt een bus door een plas.

Water spat tegen het raam.

Hier dragen mensen nog dikke sjaals, zegt zij.

En daar is de winter veel te warm.

Dat voelt raar.

Mevrouw Smit komt binnen.

Zij koopt elke vrijdag witte rozen.

Vandaag draagt zij paarse handschoenen.

Wat praten jullie druk, zegt zij.

Milan wijst naar de radio.

Daar praten ze over Antarctica.

Het is daar veel warmer dan vaak.

Mevrouw Smit kijkt naar haar handschoenen.

Dan moet mijn plant niet klagen, zegt zij.

Die staat thuis naast de kachel.

Alle drie lachen.

Even later komt Sara binnen.

Zij is twaalf en woont boven de winkel.

Zij heeft een taak voor school.

Ik moet iets doen voor de aarde, zegt zij.

Maar ik weet niets.

Noor geeft haar een pot met munt.

Begin klein, zegt Noor.

Zet deze plant op het keukenraam.

Geef hem water uit een oude kan.

Dan koop je minder plastic flesjes.

En munt ruikt lekker in thee.

Mag ik ook helpen, vraagt Milan.

Ik kan kleine bordjes maken voor de potten.

Op elk bordje staat een korte tip.

Hij pakt dikke stiften uit een lade.

Blauw, groen en rood liggen klaar.

De winkel krijgt meteen meer kleur.

Noor zet een bord bij de deur.

Daarop schrijft zij: Neem een kleine groene stap vandaag.

Geen grote woorden, denkt zij.

Gewoon iets doen.

Een jongen op een fiets stopt buiten.

Hij zoekt een cadeau voor zijn moeder.

Zij werkt veel thuis en vergeet vaak pauze.

Noor kiest een sterke plant met ronde bladeren.

Deze plant vraagt weinig water, zegt zij.

Dat past bij drukke mensen.

De jongen ruikt aan de blaadjes.

Het ruikt naar citroen, zegt hij.

Mijn moeder wordt hier blij van.

Na de middag schijnt de zon even.

De natte straat krijgt gouden plekken.

Milan hangt de kleine bordjes aan touw.

Eén bordje valt in een emmer.

Water vliegt op zijn schoenen.

Nu heb ik twee vijvers, zegt hij.

Noor geeft hem een handdoek.

Jij maakt de winkel wel levend, zegt zij.

Sara schrijft in haar schrift.

Mijn eerste groene stap is munt op het raam.

Mijn tweede stap is korter douchen.

Mijn derde stap is lopend naar school.

De radio praat later weer over het witte zuiden.

Noor luistert beter.

Zij denkt aan sneeuw, wind en donker water.

Zij is nooit zo ver weg geweest.

Toch voelt het verhaal dichtbij.

Het raakt haar winkel, haar planten en haar klanten.

Want iedereen gebruikt warmte, water en licht.

Ook op een kleine werkdag in Leiden.

Noor sluit de deur om zes uur.

De lucht is roze boven de daken.

Zij voelt zich niet meer zo klein.

Twintig graden warmer klinkt heel groot.

Maar een kleine stap voelt echt.

Zij zet de munt bij het raam.

De geur blijft aan haar vingers.

Morgen vertelt zij klanten weer over groene stappen.

Niet als les, maar als vriendelijk idee.

Want veel kleine stappen maken samen een weg.

En die weg begint soms in een bloemenwinkel.

Tot de volgende keer. ## Een Klein Glas in Nijmegen Ik ben Rick.

Vandaag ben ik in Nijmegen.

Ik bezoek een woonhuis voor oude mensen.

Het huis ligt aan een korte straat.

Voor de deur staat een rode fiets.

Binnen is het warm en licht.

In de hal hangt koffie en soep in de lucht.

Ik hoor kopjes op schotels.

Dat geluid ken ik van veel huizen.

Asha werkt in het huis.

Zij heeft een blauwe trui aan.

Op haar trui staat een klein zonnetje. “Welkom, Rick,” zegt zij. “Vandaag praat je met Bram en meneer Smit.” Ik hang mijn jas op.

Mijn jas is nat van de regen. “Ik neem de regen mee,” zeg ik.

Asha lacht. “Zet hem maar in de hoek.” In de grote kamer zitten acht mensen.

De muren zijn geel.

Op tafel liggen kranten, kaarten en koekjes.

Bram zit bij het raam.

Hij heeft een pet met een vis erop.

Meneer Smit zit naast hem.

Hij telt de koekjes op tafel. “Er zijn er zeven,” zegt hij. “Dat is raar.

Wij zijn met acht.” “Dan moet jij halve koekjes maken,” zegt Bram.

Iedereen lacht even.

Asha zet koffie neer.

Daarna pakt zij een map. “Wij hebben hier duidelijke regels,” zegt zij. “Sommige mensen roken een groen blaadje.

Sommigen drinken een klein glas bier of wijn.

Dat mag hier, maar alleen met afspraken.” Ik luister goed.

Ik ken dit verhaal uit de krant.

Veel huizen zeggen nee.

Dit huis zegt soms ja.

Ik vraag: “Waarom doen jullie dat?” Asha gaat zitten. “Bram woonde lang op straat,” zegt zij. “Meneer Smit woonde lang alleen.

Zij deden dit al vele jaren.

Als wij alles verbieden, gaan zij naar buiten.

Dan zien wij niets.

Nu blijven zij hier.

Wij praten samen.

Wij tellen de glazen.

Wij letten op elkaar.” Bram kijkt naar mij. “Ik ben oud, maar niet nieuw,” zegt hij. “Mijn leven komt ook mee in mijn tas.” Hij wijst naar een bruine tas naast zijn stoel. “Daar zit geen vis in,” zegt hij. “Alleen sokken en een boek.” Ik moet lachen. “Dat is jammer voor je pet,” zeg ik.

Meneer Smit pakt een kaart uit een doos. “Ik wil straks een klein glas bier,” zegt hij. “Daarna speel ik kaarten.” Asha zegt: “Dat kan, want het staat in je plan.” Zij laat mij het plan zien.

Er staan tijden op.

Er staat ook wie mee kijkt.

De woorden zijn groot en duidelijk.

Dat vind ik fijn.

Na de koffie lopen wij naar een kleine tuin.

De regen is bijna weg.

De stenen zijn donker en nat.

Er staan drie stoelen onder een dakje.

Bram gaat zitten.

Asha blijft naast hem staan.

Bram rookt kort en praat over vissen.

Hij zegt dat vissen beter luisteren dan mensen. “Maar vissen geven geen koffie,” zeg ik. “Precies,” zegt Bram. “Daarom woon ik hier.” Binnen komt Noor op bezoek.

Zij is de dochter van meneer Smit.

Zij heeft bloemen bij zich.

De bloemen zijn paars en wit. “Pa, gaat het goed?” vraagt zij. “Ja,” zegt hij. “Ik heb gewonnen met kaarten.” “Je speelt nog niet,” zegt Noor.

Meneer Smit lacht. “Dan win ik alvast in mijn hoofd.” Noor kijkt naar Asha. “Ik vind de regels soms moeilijk,” zegt zij.

Asha antwoordt zacht. “Dat snap ik.

Kom maar mee lezen.” Zij zitten samen aan tafel.

Noor leest het plan.

Ze vraagt veel.

Asha geeft korte antwoorden.

Meneer Smit wacht met zijn glas.

Hij kijkt naar zijn dochter. “Ik doe het met jullie erbij,” zegt hij.

Noor is even stil. “Goed, pa.

Dan blijf ik even.” Ik schrijf later woorden op voor mijn les.

Het woord “afspraak” schrijf ik twee keer.

Een afspraak helpt, denk ik.

Een gesprek helpt ook.

Ik zie geen feest in dit huis.

Ik zie mensen met een lang leven.

Ik zie mensen die goed blijven kijken.

Ik zie familie die vragen stelt.

Dat is niet makkelijk, maar wel eerlijk.

Aan het eind pak ik mijn natte jas.

Hij is nu bijna droog.

Asha geeft mij een koekje mee. “Voor onderweg,” zegt zij. “Is daar ook een regel voor?” vraag ik. “Ja,” zegt Asha. “Niet alles in één keer eten.” Ik lach en stop het koekje in mijn zak.

Buiten is de lucht grijs.

Toch fiets ik weg met een licht gevoel.

Vandaag leer ik weer iets simpels.

Eerst luisteren, dan pas praten.

Tot de volgende keer. ## De Slimme Auto van Bram Bram zoekt een nieuwe auto.

Hij woont in de stad Eindhoven.

Hij werkt elke dag heel erg hard.

Na zijn werk is hij vaak moe.

Hij wil graag een slimme auto.

Hij wil een auto die zelf kan rijden.

Dat lijkt hem echt heel erg fijn.

Dan kan hij uitrusten in de auto.

Of hij kan naar muziek luisteren.

Hij hoeft dan niet op de weg te letten.

Op zaterdag gaat Bram naar een grote winkel.

De winkel verkoopt hele dure auto's.

De auto's zijn heel mooi en nieuw.

Binnen ruikt het naar nieuw plastic.

Het ruikt ook naar schoonmaakmiddel.

Bram loopt langzaam door de grote winkel.

Hij kijkt naar alle mooie auto's.

Dan ziet hij een rode auto.

De kleur is heel mooi rood.

Bram vindt de auto direct mooi.

Een man loopt snel naar Bram toe.

De man draagt een duur pak.

Hij heet meneer De Vries.

Hij is de verkoper in de winkel.

"Goedemorgen, kan ik u helpen?" vraagt de verkoper.

Bram knikt.

"Ik zoek een hele slimme auto.

Een auto die echt alles zelf doet." Meneer De Vries lacht heel erg breed.

"Dan is deze rode auto perfect voor u.

Deze auto is echt heel erg slim.

Hij rijdt helemaal zelf over de weg.

U hoeft helemaal niets te doen.

De auto ziet alles op de weg.

Het is een heel goed en nieuw systeem." Bram is blij met dit antwoord.

Dit is precies wat hij zoekt.

"Mag ik een stukje rijden?" vraagt Bram.

"Natuurlijk," zegt de verkoper direct.

"We gaan samen een stukje rijden." Ze stappen samen in de rode auto.

De stoelen zitten echt heel erg lekker.

Ze voelen heel zacht aan.

Bram start de motor van de auto.

Het geluid is heel erg zacht.

Je hoort de motor bijna niet.

Ze rijden langzaam de straat op.

"Laat het stuur maar los," zegt de verkoper.

"De auto doet nu echt alles zelf." Bram laat het stuur voorzichtig los.

Het is in het begin een beetje eng.

Maar de auto rijdt heel mooi rechtdoor.

De auto stopt netjes voor een rood stoplicht.

Bram lacht hardop.

Dit is echt heel erg leuk.

Hij voelt zich net een koning.

Ze rijden verder naar het centrum van Eindhoven.

Het is heel erg druk in de stad.

Er zijn veel mensen op straat.

Er zijn ook veel fietsen op de weg.

Opeens fietst er een jonge man over de weg.

De man fietst echt heel erg snel.

De slimme auto ziet de man helemaal niet.

De auto remt ook helemaal niet.

De auto rijdt gewoon heel hard door.

Bram schrikt echt heel erg.

Hij trapt heel snel op de rem.

De auto stopt echt net op tijd.

De man op de fiets fietst snel verder.

Bram kijkt heel boos naar de verkoper.

Zijn hart klopt heel snel in zijn keel.

Hij is heel erg boos.

"U zei dat de auto slim is!" roept Bram.

"U zei dat hij alles zelf ziet.

Dat is dus helemaal niet waar.

U vertelt mij niet de waarheid." Meneer De Vries kijkt snel naar beneden.

Hij weet dat hij fout is.

Hij wilde de dure auto gewoon graag verkopen.

Hij vertelde een leugen over de auto.

Hij zei niet hoe het echt was.

Hij was niet eerlijk tegen Bram.

"Sorry," zegt de verkoper heel erg zacht.

"Het systeem is misschien nog niet perfect.

U moet altijd zelf goed blijven kijken." Bram schudt boos zijn hoofd.

Hij is echt heel erg boos.

"Ik koop deze auto absoluut niet.

U bent helemaal niet eerlijk tegen mij.

Ik wil een auto die echt werkt." Bram stapt direct uit de rode auto.

Hij gooit de deur heel hard dicht.

Hij loopt snel weg van de winkel.

Hij koopt vandaag helemaal geen nieuwe auto.

Hij neemt de bus terug naar zijn huis.

In de bus hoeft hij ook niet te sturen.

En de buschauffeur kijkt tenminste wel heel goed uit.

Dat is veel beter en veel goedkoper.

Tot de volgende keer. ## Een Belangrijk Gesprek over Olie Het is vroeg in de ochtend.

Donald loopt zijn grote kantoor binnen.

Het kantoor is in Rotterdam.

Het is koud buiten.

De wind waait hard tegen het raam.

Maar binnen is het lekker warm.

Donald draagt een mooi blauw pak.

Hij heeft een rode stropdas om.

Hij loopt naar het koffiezetapparaat in de hoek.

Hij maakt een grote kop koffie.

De koffie ruikt heel sterk en vers.

Donald houdt erg van sterke koffie.

Hij neemt voorzichtig een slokje.

De koffie is heet en lekker.

Hij loopt naar zijn bureau.

Zijn bureau is groot en leeg.

Er ligt geen papier op.

Er staat alleen een telefoon.

En er staat een computer.

Donald gaat op zijn stoel zitten.

De bureaustoel is van zacht leer.

Hij kijkt even naar buiten.

Hij ziet de hoge gebouwen van de stad.

Hij denkt aan zijn werk van vandaag.

Hij heeft vandaag een belangrijk gesprek.

Donald pakt zijn telefoon.

Hij moet bellen met Volodimir.

Volodimir is een belangrijke man.

Hij woont in een ander land.

Het land is erg ver weg.

Donald toetst het nummer in.

Hij hoort de telefoon overgaan.

Eén keer, twee keer, drie keer.

Dan neemt Volodimir eindelijk op.

"Hallo, met Volodimir," zegt een stem.

De stem klinkt een beetje moe.

"Hallo Volodimir, met Donald," zegt Donald.

"Hoe gaat het vandaag met jou?" Volodimir antwoordt heel snel.

"Het gaat goed, dank je wel.

Maar we hebben een groot probleem." Donald neemt nog een slok van zijn koffie.

Hij luistert goed naar Volodimir.

"Wat is het probleem?" vraagt Donald.

Volodimir vertelt over de olie.

"We hebben veel olie nodig," zegt hij.

"Maar de olie is nu heel duur.

En we kopen het van een slecht bedrijf." Donald kijkt naar zijn computerscherm.

"Ik begrijp het," zegt Donald.

"Dat slechte bedrijf is een probleem.

We moeten daar echt iets aan doen." Volodimir is blij met die woorden.

"Wat kunnen we doen?" vraagt Volodimir.

Donald denkt even goed na.

Hij tikt met zijn pen op het bureau.

Tik, tik, tik.

"We gaan nieuwe regels maken," zegt Donald.

"Strenge regels voor dat slechte bedrijf.

We kopen geen olie meer van hen.

We stoppen daar helemaal mee." Volodimir klinkt nu veel vrolijker.

"Dat is een heel goed idee," zegt hij.

"Wanneer beginnen we met die nieuwe regels?" Donald kijkt naar de klok.

De klok hangt aan de muur.

Het is nu precies negen uur.

"We beginnen heel snel," zegt Donald.

"Misschien al volgende week.

Ik ga vandaag met mijn team praten.

Wij maken samen een goed plan." Volodimir bedankt Donald voor zijn hulp.

"Jij bent een goede vriend," zegt Volodimir.

"Samen maken we het beter." Donald lacht een beetje.

"Dat klopt," zegt hij.

"We moeten elkaar altijd helpen.

Olie is belangrijk voor ons allemaal.

Maar we moeten wel eerlijk zakendoen.

We kopen alleen nog goede olie." Het telefoongesprek duurt nog tien minuten.

Ze praten verder over de nieuwe regels.

Ze praten daarna ook over het weer.

Volodimir zegt dat het erg koud is.

Donald zegt dat het in Rotterdam ook waait.

Dan is het tijd om te stoppen.

"Ik moet nu gaan," zegt Donald.

"Ik heb nog een andere afspraak." Volodimir begrijpt het.

"Bedankt voor het bellen," zegt hij.

"We spreken elkaar snel weer." Donald zegt vriendelijk gedag.

Hij legt de telefoon weer neer.

Het kantoor is weer heel stil.

Alleen de wind maakt nog geluid.

Donald staat op van zijn stoel.

Hij loopt weer naar het raam.

Hij kijkt naar de grijze lucht.

Hij voelt zich eigenlijk heel goed.

Het was een heel goed gesprek.

De nieuwe regels zijn belangrijk.

Ze gaan het slechte bedrijf stoppen.

Dat is goed voor iedereen.

Donald drinkt de rest van zijn koffie op.

De koffie is nu koud.

Maar dat maakt niet uit.

Hij heeft nu veel energie.

Hij is klaar voor deze nieuwe dag.

Hij loopt naar de deur.

Hij doet de deur open.

Hij roept naar zijn assistent.

"We hebben werk te doen," zegt hij.

Hij lacht breed.

Tot de volgende keer. Brand in de Straat. Sander woont in een heel rustige straat in Rijen.

Het is zaterdagochtend en het is nog vroeg.

De zon schijnt en de lucht is mooi blauw.

Sander wordt wakker en rekt zich langzaam uit.

Hij heeft veel zin in een lekker ontbijt.

Hij wil vers brood halen bij de supermarkt.

Ook wil hij kaas en eieren kopen.

Sander trekt zijn schoenen aan en loopt naar buiten.

Maar vandaag is alles anders in zijn straat.

Hij ruikt direct een heel vreemde geur.

Het ruikt sterk naar rook en naar vuur.

Sander kijkt naar het einde van de straat.

Daar staan heel veel mensen dicht bij elkaar.

Hij ziet ook twee auto's van de politie.

En een grote rode auto van de brandweer.

Sander snapt het niet en loopt er snel naartoe.

Hij wil heel graag weten wat er is gebeurd.

De straat is normaal altijd heel erg stil.

Nu is er veel lawaai en veel drukte.

Sander ziet zijn buurvrouw Mila staan.

Mila woont al tien jaar naast Sander.

Ze kijkt nu heel erg verdrietig en bang.

"Wat is er aan de hand, Mila?" vraagt Sander.

Mila wijst met haar hand naar een huis.

Het is het grote huis op de hoek.

Sander kijkt en schrikt echt heel erg.

Het huis is helemaal zwart van binnen.

Alle ramen van het huis zijn helemaal kapot.

Het dak is ook voor een groot deel stuk.

Er was vannacht een heel groot vuur.

"Het is echt vreselijk," zegt Mila heel zacht.

Sander kijkt lang naar het kapotte huis.

Hij kent de man die daar woont heel goed.

De man heet meneer De Vries.

Meneer De Vries is een oude, heel vriendelijke man.

Hij maakt altijd een leuk praatje met iedereen.

"Waar is meneer De Vries nu?" vraagt Sander.

Mila kijkt naar de grond en zucht diep.

Ze heeft dikke tranen in haar ogen.

"De politie heeft heel slecht nieuws," zegt ze.

"Ze hebben een lichaam gevonden in het huis." Sander is even helemaal stil van de schrik.

Hij kan dit slechte nieuws bijna niet geloven.

Dit is heel triest nieuws voor de hele straat.

Het is een heel zware dag voor iedereen hier.

Steeds meer buren komen naar buiten gelopen.

Iedereen praat zachtjes met elkaar over het grote vuur.

Mensen troosten elkaar met een hand op de schouder.

De politie doet nu heel veel onderzoek.

Ze willen precies weten hoe het vuur begon.

Mannen in blauwe jassen lopen rond het huis.

Ze kijken heel goed naar alle kapotte spullen.

Ze zoeken naar de reden van het grote vuur.

Het is best koud buiten op de straat.

Sander heeft alleen een trui aan, geen warme jas.

Hij heeft het koud door de harde wind.

Maar hij wil echt nog niet naar binnen gaan.

Hij wil nu heel graag bij zijn buren zijn.

Samen staan ze voor het zwarte, kapotte huis.

Sander en Mila lopen samen een klein stukje.

"Zullen we samen een kopje koffie drinken?" vraagt Sander.

Mila knikt langzaam.

"Ja, dat is een heel goed idee." Ze lopen samen naar het huis van Sander.

Sander zet de waterkoker aan voor de verse koffie.

Ze gaan zitten aan de grote, houten keukentafel.

Ze praten heel lang over meneer De Vries.

Ze herinneren zich veel leuke en mooie dingen.

Meneer De Vries had een heel mooie, groene tuin.

Hij werkte daar elke dag met heel veel plezier.

Hij gaf in de zomer vaak appels aan de buren.

Ook hielp hij mensen met hun fiets maken.

Het is heel fijn om nu samen te praten.

Het helpt een beetje tegen het grote verdriet.

Buiten op straat gaat het onderzoek gewoon verder.

Het kapotte huis op de hoek blijft voorlopig leeg.

De hele straat zal meneer De Vries heel erg missen.

Sander drinkt zijn warme koffie heel rustig op.

Hij kijkt door het raam naar buiten.

Het normale leven gaat door, maar vandaag even niet.

Vandaag denken ze alleen aan hun lieve buurman.

Tot de volgende keer. ## De Grijze Lucht in de Stad Boris woont in Moskou.

Het is een heel grote stad.

Vandaag is een vreemde dag.

Boris wordt vroeg in de ochtend wakker.

Zijn wekker maakt een hard geluid.

Hij stapt uit zijn warme bed.

Hij loopt naar het raam.

Hij kijkt naar buiten.

De lucht is helemaal niet blauw.

De lucht is grijs en donker.

Het is geen normale mist.

Boris opent zijn raam een klein beetje.

Hij ruikt direct iets vreemds.

Het ruikt sterk naar vuur.

Het ruikt naar vieze rook.

Boris sluit het raam snel.

Hij snapt het niet.

Waar komt deze rook vandaan?

Hij loopt naar de keuken.

Hij maakt een warm kopje thee.

Hij smeert een stukje brood met boter.

Maar hij heeft geen honger.

De geur van de rook is overal.

Het zit in zijn huis.

Het zit in zijn kleren.

Boris doet zijn dikke jas aan.

Hij moet nu naar zijn werk.

Hij werkt in een groot gebouw.

Het gebouw staat in het centrum.

Boris loopt buiten op straat.

Het is erg stil.

Normaal is het hier altijd druk.

Nu zijn er maar weinig mensen.

De mensen op straat lopen snel.

Ze kijken allemaal naar de grond.

Niemand praat met een ander persoon.

De lucht is vandaag heel dik.

Boris moet een paar keer hoesten.

Zijn ogen doen ook een beetje pijn.

De grijze rook is overal in de stad.

De auto's op de weg rijden langzaam.

Ze hebben allemaal hun lichten aan.

Het lijkt buiten wel avond.

Maar het is echt pas ochtend.

Boris ziet een oude vrouw lopen.

Ze heeft een dikke sjaal voor haar mond.

Ze loopt snel langs hem heen.

Boris voelt zich niet fijn.

Hij denkt aan het nieuws op televisie.

Hij kijkt elke avond naar de televisie.

Op televisie zeggen de mensen dat alles goed gaat.

Maar dit is niet goed.

De hele stad is vol met rook.

Dit is een groot probleem voor iedereen.

Boris komt aan bij zijn werk.

Hij gaat snel door de deuren naar binnen.

Binnen in het gebouw is de lucht beter.

Hij ziet zijn collega Elena.

Elena staat bij het koffiezetapparaat in de gang.

Ze ziet er vandaag erg moe uit.

"Goedemorgen Elena," zegt Boris met een zachte stem.

"Goedemorgen Boris," zegt ze zacht terug.

"Heb jij de rook buiten gezien?" vraagt Boris.

Elena knikt langzaam met haar hoofd.

"Ja, het is echt heel erg," zegt ze.

"Mijn hele straat staat vol met rook." Boris pakt een warm kopje koffie.

"Waar komt al deze rook vandaan?" vraagt hij.

Elena kijkt even om zich heen.

Ze praat nu nog zachter.

"Het komt uit het zuiden," zegt ze.

"Van de zware gevechten.

Van de oorlog." Boris is even helemaal stil.

Hij weet dat ze gelijk heeft.

Ze praten er op het werk normaal nooit over.

Het is niet veilig om erover te praten.

Maar nu is het probleem overal.

De rook is nu in hun eigen stad.

Boris drinkt zijn warme koffie langzaam op.

Hij kijkt naar buiten door het grote raam.

Hij ziet buiten alleen maar grijze lucht.

Hij kan de andere gebouwen niet meer zien.

"Het is nu echt hier," zegt Boris zacht.

Elena knikt weer langzaam met haar hoofd.

"Ja, het is nu echt hier," zegt ze.

Ze lopen samen naar hun bureau.

Ze proberen hard te werken.

Maar het is vandaag heel erg moeilijk.

Boris kijkt steeds weer naar het raam.

De vieze rook gaat maar niet weg.

De vreemde geur gaat ook niet weg.

Het grote probleem is nu in hun stad.

Ze zien het nu elke dag.

Ze ruiken het nu elke dag.

Hun normale leven is erg veranderd.

Boris weet dat het niet snel stopt.

Hij hoopt op betere tijden in de toekomst.

Hij hoopt op een mooie blauwe lucht.

Tot de volgende keer. ## De Reis Die Niet Doorgaat Sander werkt op een groot kantoor in Utrecht.

Hij werkt daar samen met zijn collega Giulia.

Giulia komt uit het warme Italië.

Ze is een heel goede en slimme collega.

Sander en Giulia hebben een belangrijk plan.

Ze willen naar Amerika reizen voor hun werk.

Ze moeten praten met een grote baas daar.

De baas heet meneer Jansen.

Meneer Jansen woont in de stad New York.

Sander heeft veel zin in de reis.

Hij wil graag de grote stad zien.

Hij wil ook een grote hamburger eten.

Giulia heeft ook veel zin in de reis.

Ze praten elke dag over hun mooie plannen.

Ze boeken een mooi hotel in het centrum.

Ze kopen ook dure tickets voor het vliegtuig.

Het is een koude maandagmorgen in Utrecht.

Sander drinkt koffie bij zijn witte bureau.

De koffie is lekker warm en zoet.

Dan komt Giulia plotseling het kantoor binnen.

Ze kijkt echt heel erg boos.

Haar gezicht is rood van de boosheid.

Sander schrikt een beetje van haar gezicht.

"Wat is er aan de hand?" vraagt hij.

Giulia gaat snel op haar stoel zitten.

Ze zucht een keer heel erg diep.

"Heb je het nieuws al gelezen?" vraagt ze.

Sander schudt langzaam zijn hoofd.

"Nee, ik heb nog niet gekeken," zegt hij.

"Wat is er precies gebeurd?" vraagt hij.

Giulia pakt snel haar zwarte telefoon.

Ze laat een lang bericht zien aan Sander.

Het is een bericht van meneer Jansen.

Meneer Jansen heeft iets heel doms gezegd.

Hij sprak over de baas van Giulia.

De baas van Giulia is een belangrijke vrouw.

Ze woont en werkt in Italië.

Meneer Jansen zei lelijke dingen over haar.

Hij was helemaal niet netjes in zijn woorden.

Hij was zelfs een beetje gemeen tegen haar.

Sander leest het bericht op de telefoon.

Hij snapt nu goed waarom Giulia boos is.

"Dit is echt niet leuk," zegt Sander zacht.

"Nee, dit is heel erg," zegt Giulia boos.

"Ik wil niet meer naar hem toe gaan." Sander kijkt haar met grote ogen aan.

"Gaan we dan niet naar New York?" vraagt hij.

"Nee," zegt Giulia met een strenge stem.

"De reis gaat gewoon niet door." "We gaan niet praten met zo'n domme man." Sander vindt het stiekem een beetje jammer.

Hij wilde heel graag naar New York vliegen.

Maar hij begrijpt zijn collega Giulia heel goed.

Vrienden en collega's zijn veel belangrijker dan werk.

"Oké," zegt Sander met een kleine glimlach.

"Dan blijven we deze week gewoon in Nederland." "Wat moeten we nu precies doen?" vraagt hij.

Giulia pakt haar grijze computer erbij.

"We moeten de tickets voor het vliegtuig veranderen," zegt ze.

Sander knikt en pakt de telefoon.

Hij belt het bedrijf van het grote vliegtuig.

Hij zegt dat ze niet meer willen gaan.

De man aan de telefoon is heel vriendelijk.

Hij helpt Sander heel snel en goed.

Daarna bellen ze samen naar het hotel.

Ze zeggen dat ze niet meer komen slapen.

Alles is gelukkig heel erg snel geregeld.

Sander en Giulia zitten weer rustig aan hun bureau.

Het is nu heel erg stil op kantoor.

"We hebben nu heel veel extra tijd," zegt Sander.

"Wat gaan we doen met al deze tijd?" Giulia lacht nu weer een klein beetje.

Ze is gelukkig niet meer zo boos.

"We kunnen naar een Italiaans restaurant gaan," zegt ze.

"Gewoon hier in het centrum van Utrecht." "Ik trakteer jou op een grote pizza." "Dat is veel beter dan een Amerikaanse hamburger." Sander lacht nu ook heel erg blij.

"Dat vind ik een heel goed idee," zegt hij.

"Een warme pizza is altijd heel erg lekker." "En we hoeven gelukkig niet lang te vliegen." Ze werken de rest van de dag hard.

Ze maken al hun moeilijke taken netjes af.

Om vijf uur sluiten ze hun computers af.

Ze lopen samen gezellig naar buiten.

De zon schijnt mooi in de stad Utrecht.

Het is een heel erg mooie dag.

Ze lopen naar het restaurant op de hoek.

De geur van kaas en tomaten is heerlijk.

Sander is heel blij met zijn leuke collega.

Soms lopen dingen anders dan je eerst denkt.

Maar een goede pizza maakt altijd veel goed.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze