Alle podcasts

Een Warme Dag in de Tuin

Hallo.

Ik ben Emma.

Ik woon in Breda.

Ik heb een huis.

Het huis is mooi.

Het huis heeft een tuin.

De tuin is groot.

De tuin is groen.

Vandaag is het warm.

Heel erg warm.

De zon is geel.

De zon is groot.

De zon is heet.

Ik ben in de tuin.

Lars is ook hier.

Lars is mijn man.

Lars is een goede man.

Wij zitten in de tuin.

Wij hebben het warm.

Heel erg warm.

Lars drinkt water.

Het water is koud.

Ik drink ook water.

Wij drinken veel water.

Het is een warme dag.

Een heel warme dag.

Wij drinken nog meer water.

Lars eet een appel.

De appel is rood.

De appel is zoet.

Lars eet de appel.

Ik eet brood.

Het brood is vers.

Ik eet het brood.

Wij eten en drinken.

Wij zitten op een stoel.

De stoel is wit.

Lars heeft ook een stoel.

Zijn stoel is ook wit.

De lucht is blauw.

Ik kijk naar de lucht.

Ik zie geen wolken.

Het is heel warm.

De kat is ook hier.

De kat heet Minoes.

Minoes is zwart.

Minoes slaapt.

Zij slaapt in de zon.

Zij heeft het ook warm.

Minoes slaapt veel.

Wij spelen een spel.

Het spel is leuk.

Wij spelen met kaarten.

Wij lachen veel.

Lars is grappig.

Het is een mooie dag.

Een heel mooie dag.

Maar dan.

Ik kijk weer.

Ik kijk naar de lucht.

De lucht is niet blauw.

De lucht is grijs.

Heel erg grijs.

De zon is weg.

Ik zie de zon niet.

De zon is achter de wolken.

De wolken zijn donker.

Lars kijkt ook.

Hij ziet de grijze lucht.

"Kijk," zegt Lars.

"Het weer is anders." Ik hoor iets.

Ik hoor een geluid.

Het geluid is groot.

Boem!

Het is heel donker.

De lucht is zwart.

"Wat is dat?" vraag ik.

"Dat is slecht weer," zegt Lars.

"Heel slecht weer." Dan komt er water.

Water uit de lucht.

Het is regen.

Heel veel regen.

Het water valt.

Het valt op mijn arm.

Het valt op mijn been.

Het valt op mijn gezicht.

"Regen!" zegt Lars.

"Het regent heel hard." Wij staan op.

Wij rennen.

Wij rennen naar het huis.

De kat rent ook.

Minoes rent heel snel.

Zij wil geen water.

Katten houden niet van water.

Wij zijn in het huis.

De deur gaat dicht.

Wij kijken naar buiten.

Wij kijken door het raam.

Het raam is groot.

Ik zie de tuin.

De tuin is nat.

De witte stoel is nat.

De tafel is nat.

Alles is nat.

Ik hoor de regen.

De regen tikt.

Tik, tik, tik.

Het is veel water.

Heel veel water.

Lars lacht.

Ik lach ook.

Wij zijn nat.

Mijn haar is nat.

Mijn shirt is nat.

Het haar van Lars is nat.

"Dat is koud," zegt Lars.

"Ja," zeg ik.

"Maar het is goed." De dag is heel warm.

Nu is het koud.

De regen is koud.

Wij pakken een doek.

De doek is droog.

Wij maken ons droog.

Mijn haar is weer droog.

Wij zitten in het huis.

Het huis is droog.

Het huis is warm.

Wij kijken naar de regen.

De regen is mooi.

Wij drinken thee.

De thee is warm.

Wij eten koekjes.

De koekjes zijn zoet.

Wij eten veel koekjes.

Het slechte weer is buiten.

Wij zijn binnen.

Wij zijn blij.

Wij spelen weer een spel.

De warme dag is klaar.

De regen is hier.

Het is een goede dag.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze