

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo.
Ik ben Rick.
Vandaag vertel ik een verhaal.
Het verhaal gaat over Kees.
Kees is een man.
Hij woont in Leiden.
Kees heeft een vrouw.
Zijn vrouw heet Sanne.
Het is ochtend.
Kees wordt wakker.
Hij stapt uit bed.
Hij eet brood.
Hij drinkt melk.
Kees kijkt uit het raam.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Kees wil fietsen.
Hij zegt tegen Sanne: "Ik ga fietsen." Sanne zegt: "Dat is goed." Sanne leest een boek.
Kees gaat naar buiten.
Hij loopt naar de straat.
Hij kijkt links.
Hij kijkt rechts.
Waar is de fiets?
Kees ziet de fiets niet.
De fiets is weg.
Iemand heeft de fiets.
Dat is niet leuk.
Kees is boos.
Hij gaat weer naar binnen.
Hij zegt tegen Sanne: "Mijn fiets is weg." Sanne zegt: "Ga naar de politie." "De politie helpt jou." "De politie is heel goed." Kees zegt: "Ik ga nu." Kees loopt naar de stad.
Het is heel ver.
Kees loopt en loopt.
Hij ziet een park.
In het park zijn kinderen.
De kinderen spelen.
Ze spelen met een bal.
De bal is geel.
Kees kijkt naar de kinderen.
Hij ziet ook een kat.
De kat slaapt in de zon.
Kees loopt langs het park.
Hij is heel moe.
Hij heeft dorst.
Hij ziet een winkel.
Hij koopt water.
Hij drinkt het water.
Het water is koud.
Dat is lekker.
Kees loopt weer verder.
Hij komt bij de politie.
Hij ziet een groot huis.
Kees gaat naar binnen.
Hij ziet een man.
De man is een agent.
De agent heet Dirk.
Dirk zit aan een tafel.
Wat doet Dirk?
Dirk werkt niet.
Dirk drinkt koffie.
De koffie is warm.
Dirk eet ook taart.
De taart is groot.
De taart is heel zoet.
Op het bureau ligt papier.
Er is veel papier.
Het papier is wit.
Het papier is voor de fietsen.
Veel fietsen zijn weg.
Veel mensen zijn boos.
Maar Dirk leest het papier niet.
Dirk kijkt naar een computer.
Hij kijkt naar een hond.
De hond is heel grappig.
Dirk is heel blij.
Kees loopt naar Dirk.
Kees zegt: "Hallo Dirk." Dirk kijkt naar Kees.
Dirk zegt: "Hallo man." Kees zegt: "Mijn fiets is weg." "Ik zoek mijn rode fiets." "Kan jij mij helpen?" Dirk neemt een hap taart.
Dirk drinkt wat koffie.
Dirk zegt: "Nee." "Ik help jou niet." "Ik heb geen tijd." "Ik eet mijn taart." Kees kijkt naar Dirk.
Kees begrijpt het niet.
"Jij bent de politie," zegt Kees.
"Jij moet mij helpen." Dirk zegt: "Ik doe niets." "Kijk naar mijn bureau." "Ik heb duizend papieren." "Ik doe niets met papier." "In dit jaar doe ik niets." "Niets doen is mijn werk." "Ik eet alleen taart." Kees is heel boos.
"Dat is heel raar," zegt Kees.
Dirk kijkt heel blij.
"Wil jij ook taart?" zegt Dirk.
Kees kijkt naar de taart.
Kees heeft veel honger.
Kees zegt: "Ja, graag." Kees zit naast Dirk.
Kees krijgt een bord.
Kees krijgt een vork.
Kees eet de taart.
Het is taart met appel.
En taart met suiker.
De taart is heel lekker.
Kees drinkt ook koffie.
Kees en Dirk eten taart.
Ze eten en drinken.
Ze doen helemaal niets.
Dirk zegt: "Zie je wel?" "Niets doen is heel leuk." "Taart eten is heel goed." Kees zegt: "Jij hebt gelijk." "Mijn fiets is weg." "Dat is heel jammer." "Maar de taart is super." Kees gaat weer naar huis.
Hij loopt naar huis.
Hij komt bij zijn huis.
Sanne doet de deur open.
Sanne zegt: "Heb jij je fiets?" Kees zegt: "Nee, ik heb geen fiets." "De politie doet helemaal niets." "Maar ik eet veel taart." "Ik ben heel blij." Sanne kijkt naar Kees.
Zij begrijpt het niet.
Kees gaat op de bank zitten.
Hij gaat slapen.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze