

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Bas werkt in een kantoor.
Het kantoor is in Den Haag.
Het is een groot, wit gebouw.
Het gebouw heeft veel ramen.
De ramen zijn groot en schoon.
Bas is blij vandaag.
Hij heeft zijn koffie.
De koffie is warm en lekker.
De koffie ruikt goed.
Bas drinkt zijn koffie langzaam.
Lisa werkt ook in het kantoor.
Lisa heeft een rode jas.
De jas is felrood.
Zij zit aan een tafel.
De tafel is groot en bruin.
Lisa heeft papier en een pen.
De pen is blauw.
Zij schrijft veel.
Het papier is wit.
Lisa schrijft snel.
Bas ruikt iets.
Het is een rare geur.
De geur is sterk en vreemd.
Bas ruikt nog een keer.
Ja, de geur is er nog.
Bas staat op.
Hij loopt naar de deur.
De deur is warm.
Dat is niet goed.
Bas voelt de deur.
De deur is heel warm.
Bas heeft een idee.
Hij tikt op de muur.
Hij tikt hard.
De muur maakt een geluid.
Lisa hoort het tikken.
Zij staat ook op.
Zij loopt naar Bas.
Haar rode jas is mooi.
"Bas, wat is er?" zegt Lisa.
"Ik ruik rook," zegt Bas.
"Rook?
Hier?" zegt Lisa.
"Ja, hier," zegt Bas.
Lisa ruikt ook.
Ja, het is rook.
De rook is grijs.
De rook is in de gang.
De gang is smal en donker.
De rook komt dichterbij.
Het ruikt naar vuur.
Bas heeft zijn telefoon.
Hij belt 112.
Dat is het nummer voor hulp.
Een man aan de telefoon is rustig.
"Wij zijn er snel," zegt de man.
Bas is blij met de rustige stem.
Bas en Lisa lopen naar buiten.
Buiten is het koud.
De lucht is fris en schoon.
Andere mensen zijn ook buiten.
Iedereen staat op straat.
De straat is breed en grijs.
De mensen praten zacht.
Dan is er een grote rode auto.
Het is de brandweer.
De auto is rood en groot.
De brandweer heeft slangen.
De slangen zijn lang en dik.
De mannen van de brandweer werken hard.
Zij spuiten water.
Het water is koud en wit.
Het water maakt een geluid.
Dan is er ook een blauwe auto.
Het is de politie.
De auto is blauw met een lamp.
De politie loopt het kantoor in.
Zij zoeken in het kantoor.
Zij zoeken lang.
De politie is stil.
Bas staat op straat.
Hij is een beetje bang.
Zijn handen zijn koud.
Lisa staat naast hem.
"Het is goed," zegt Lisa.
"De politie is er." "Ja," zegt Bas.
"Dat is fijn." De politie heeft vier mensen.
De vier mensen zijn bij het vuur.
Dat is slecht.
De politie pakt de vier mensen.
De vier mensen gaan mee met de politie.
De mensen lopen langzaam.
Bas kijkt naar de blauwe auto.
De auto rijdt weg.
De lamp van de auto is stil.
Bas ademt diep.
Lisa ademt ook diep.
De lucht is koud.
"Alles is nu goed," zegt Lisa.
"Ja," zegt Bas.
"Maar mijn koffie is koud." Lisa lacht.
Bas lacht ook.
Hun lachen klinkt zacht.
Het kantoor heeft een beetje schade.
De muur is zwart van de rook.
De zwarte muur is lelijk.
Maar het gebouw staat nog.
Dat is goed nieuws.
Bas is blij.
Bas en Lisa gaan weer naar binnen.
Bas maakt nieuwe koffie.
De koffie is warm en bruin.
Bas is blij.
Lisa is ook blij.
Zij zitten aan de tafel.
Zij drinken koffie samen.
De koffie smaakt goed.
Den Haag is een veilige stad.
De politie en de brandweer helpen altijd.
Dat is fijn voor Bas.
Dat is fijn voor Lisa.
Dat is fijn voor iedereen.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze