

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Tom.
Ik woon in Den Haag.
Het is maandagochtend.
De zon schijnt door het raam.
Ik sta in de keuken.
Mijn koffie is heet.
De geur van koffie vult de kamer.
Ik kijk naar mijn broodtrommel.
Hij is blauw en groot.
Ik maak een boterham met kaas.
De kaas is geel en zacht.
Ik leg de boterham in de trommel.
Ik leg ook een appel naast de boterham.
Mijn telefoon ligt op de tafel.
Het is een nieuw model.
Het scherm is groot en helder.
Ik ben er trots op.
Mijn vriend Mark heeft ook zo'n telefoon.
We lachen altijd samen.
We sturen elkaar grappige foto's.
Maar vandaag is het druk.
Ik ben laat voor mijn werk.
Ik drink snel mijn koffie.
De koffie is nog warm.
Ik pak mijn jas.
Mijn jas is zwart en oud.
Ik pak mijn tas.
Mijn tas is bruin en zwaar.
Ik ren naar de deur.
"Waar is mijn telefoon?", denk ik.
Ik kijk in mijn zak.
Niets.
Ik kijk in mijn tas.
Niets.
Ik ben nerveus.
Mijn hart klopt snel.
Ik heb geen tijd om te zoeken.
Ik moet gaan.
Ik stap op mijn fiets.
De fietsbel maakt een hard geluid.
Ik fiets naar mijn werk.
De wind is koud op mijn gezicht.
Mijn werk is in een groot kantoor in de stad.
Het gebouw is hoog en grijs.
Ik werk met cijfers.
Het is rustig werk.
Ik zit veel achter mijn computer.
Maar vandaag voel ik mijn hart.
Ik denk aan mijn telefoon.
Waar is hij?
Ik heb hem nodig voor mijn muziek.
Ik luister graag naar muziek op de fiets.
Ik heb hem nodig voor mijn vrienden.
We spreken af via de telefoon.
Om twaalf uur is het pauze.
De klok in het kantoor maakt een zacht geluid.
Ik zit aan een tafel met collega's.
De tafel is rond en wit.
Ik eet mijn boterham.
De boterham smaakt goed.
Ik open mijn broodtrommel.
En wat zie ik?
Mijn telefoon!
Hij ligt tussen de boterham en de appel.
De boterham is een beetje plat.
De kaas is een beetje warm.
De telefoon is ook een beetje warm.
Ik lach hard.
Mijn collega's kijken naar mij.
"Wat is er?", vraagt Marie.
Haar ogen zijn groot.
"Mijn telefoon!", zeg ik.
"Hij zat in mijn broodtrommel!" Iedereen lacht.
Het geluid van het lachen is luid.
Ik voel me een beetje dom.
Maar ook blij.
Mijn telefoon is veilig.
De dag is niet meer saai.
Ik vertel het verhaal aan iedereen.
Mijn collega's zeggen: "Tom, jij bent bijzonder." Ik glimlach.
Thuis vertel ik het aan mijn vriendin.
Zij zit op de bank.
Zij lacht ook.
Haar lach is vrolijk.
Nu denk ik elke ochtend: eerst mijn telefoon in mijn zak.
Dan mijn broodtrommel.
En ik controleer twee keer.
Een telefoon is niet voor de lunch.
Maar het was een leuke fout.
Ik lach nog steeds om die dag.
Het is een grappige herinnering.
Ik denk aan de geur van koffie en de warme kaas.
Ik denk aan het lachen van mijn collega's.
Het was een rare maar mooie dag.
Tot de volgende.
Alle transcripten op dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze