

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is een mooie zomerdag.
De zon schijnt.
Ik loop naar het park.
De lucht is blauw.
Ik hoor de vogels fluiten.
Het gras is groen.
Ik ben blij.
Ik heb een boek bij me.
Het is een boek met een rode kaft.
Ik wil in het gras zitten en lezen.
Ik ruik het gras.
Het ruikt fris.
Ik zie een bankje.
Het bankje is in de zon.
De zon is warm op mijn huid.
Ik ga zitten.
Het is warm.
Ik doe mijn ogen dicht.
Ik hoor vogels.
Ze zingen.
Het is rustig.
Ik adem diep in.
De lucht ruikt naar bloemen.
Dan hoor ik een geluid.
Het is een man.
Hij loopt naar mij toe.
Hij heeft een kop koffie in zijn hand.
De koffie dampt.
Het is heet.
Ik zie de damp.
Het ruikt naar koffie.
Het is een sterke geur.
De man zegt: 'Hallo, mag ik hier zitten?' Ik zeg: 'Ja, natuurlijk.' De man gaat zitten.
Hij drinkt zijn koffie.
Hij zegt: 'Het is een mooie dag, hè?' Ik zeg: 'Ja, heel mooi.' Ik kijk naar de zon.
De zon is fel.
Dan zie ik iets.
De man heeft een grote zonnebril op.
De bril is heel donker.
Ik denk: 'Waarom draagt hij een zonnebril in de schaduw?' Het bankje is in de schaduw van een boom.
De boom is groot.
De bladeren zijn groen.
De man zegt: 'Ik hou van de zon.
Maar mijn ogen zijn gevoelig.' Ik knik.
Ik begrijp het niet helemaal.
De zon is niet fel in de schaduw.
Dan neemt de man nog een slok koffie.
Hij zegt: 'Ah, heerlijk.
Dit is mijn derde kop vandaag.' Ik denk: 'Drie koppen koffie?
Het is pas elf uur.' Ik kijk naar mijn horloge.
Het is elf uur.
De man lacht.
Hij zegt: 'Ik werk thuis.
Koffie helpt mij.' Ik zeg: 'Ah, oké.' Dan kijk ik naar de zon.
De zon is fel.
Ik knijp mijn ogen dicht.
Ik denk: 'Het is heel warm.' Het zweet staat op mijn voorhoofd.
De man drinkt zijn koffie.
Hij zegt niets.
Het is stil.
Ik hoor alleen de vogels.
Na een tijdje staat de man op.
Hij zegt: 'Bedankt voor het gezelschap.
Ik moet gaan.' Hij loopt weg.
Ik kijk naar hem.
Hij loopt snel.
Hij heeft nog een beetje koffie in zijn hand.
De koffie dampt nog.
Plotseling zie ik iets.
De man stopt.
Hij kijkt naar de hemel.
De zon schijnt nog steeds.
De man zet zijn zonnebril af.
Hij kijkt naar de zon.
Hij lacht.
Hij zegt: 'Ja, jij bent mooi.' Ik denk: 'Wat raar.
Hij praat tegen de zon.' Dan draait de man zich om.
Hij ziet mij.
Hij lacht.
Hij zegt: 'Sorry.
Ik hou echt van de zon.' Ik glimlach.
Ik zeg: 'Geen probleem.' De man loopt verder.
Ik blijf zitten.
Ik denk: 'Mensen zijn raar.
Maar het is oké.' Ik denk aan de man.
Hij was vriendelijk.
Hij hield van de zon.
Dat is mooi.
De zon is warm.
Ik lees mijn boek.
Het is een mooie dag.
Ik ben blij.
Tot de volgende.
Alle transcripten op dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze