

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Jan woont in Den Haag.
Hij heeft een kleine flat.
De flat is op de derde verdieping.
Jan drinkt elke dag koffie.
Hij drinkt de koffie bij het raam.
Hij kijkt naar de straat.
De straat is druk.
Er lopen veel mensen.
De zon schijnt.
Jan ziet een rode auto.
De auto rijdt langzaam.
Hij hoort de geluiden van de straat.
Het is een mooie dag.
Jan werkt voor een groot bedrijf.
Het bedrijf maakt sigaretten.
Jan zit aan zijn tafel.
Op de tafel staat een computer.
De computer is groot en grijs.
Jan kijkt naar de computer.
Het scherm is wit.
Er staan letters op.
Jan drinkt zijn koffie.
De koffie is warm.
Hij ruikt de koffie.
Het is een fijne geur.
Zijn collega Petra komt binnen.
Petra heeft een kopje thee.
Zij zet het kopje op tafel.
"Jan," zegt Petra, "kijk eens hier." Jan kijkt naar het scherm.
Nee, wacht.
Jan kijkt naar de computer.
Hij ziet veel woorden.
De woorden zijn van de computer.
De computer schrijft de woorden.
Jan fronst zijn wenkbrauwen.
Het voelt vreemd.
"Petra," zegt Jan, "wie schrijft dit?" Petra wijst naar de computer.
"De computer doet dat," zegt zij.
Jan schudt zijn hoofd.
Nee, wacht.
Jan knikt langzaam.
Hij begrijpt het niet goed.
Hij denkt aan gisteren.
Gisteren was alles normaal.
Nu is er een computer die schrijft.
De computer schrijft brieven.
De brieven gaan naar de stad Brussel.
In Brussel zijn veel mensen.
Die mensen maken nieuwe wetten.
De wetten gaan over sigaretten.
Het bedrijf van Jan wil dat niet.
Het bedrijf vraagt de computer om hulp.
De computer schrijft snel.
De letters verschijnen op het scherm.
De computer schrijft: "Wij zijn gewone mensen.
Wij vinden dit niet goed." Maar de computer is geen mens.
De computer is een ding.
Jan kijkt naar de woorden.
Hij voelt zich raar.
Nee, wacht.
Jan zit stil.
Hij denkt na.
Het is stil in de kamer.
Alleen de computer maakt geluid.
Het geluid is zacht.
"Dit is niet goed," zegt Jan zacht.
Petra kijkt hem aan.
"Nee," zegt zij, "dit klopt niet." Jan staat op.
Hij loopt naar het raam.
Hij kijkt naar buiten.
Het raam is groot.
Buiten is het licht.
Op straat loopt een meisje.
Het meisje heeft een rode jas.
Zij loopt met haar moeder.
Zij lachen samen.
Jan ziet de rode jas.
Hij denkt aan zijn zus.
Zijn zus heeft ook een rode jas.
Jan denkt aan het meisje.
Hij denkt aan de brieven.
De brieven zijn niet echt.
De woorden zijn niet van mensen.
Dat is niet goed.
Jan gaat terug naar zijn tafel.
De tafel is bruin.
Hij pakt zijn telefoon.
De telefoon is zwart.
Hij belt zijn vriend Sjoerd.
"Sjoerd," zegt Jan, "ik moet iets vertellen." Sjoerd luistert goed.
Jan hoort de stem van Sjoerd.
De stem is rustig.
Jan vertelt over de computer.
Hij vertelt over de brieven.
Sjoerd zegt: "Dat is vals spelen." Jan knikt.
"Ja," zegt hij, "dat is vals spelen." Jan is blij dat hij belt.
Hij is blij dat Sjoerd luistert.
Het voelt beter om te praten.
De volgende dag gaat Jan naar zijn werk.
Hij drinkt zijn koffie.
Hij kijkt naar de computer.
De computer staat aan.
Jan zegt tegen Petra: "Wij stoppen hiermee." Petra lacht.
"Goed," zegt zij.
Jan voelt zich beter.
Eerlijk zijn is fijn.
Eerlijk zijn is altijd goed.
Jan denkt: ik ben blij dat ik eerlijk ben.
Het is belangrijk.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze