Alle podcasts

De havens van Rotterdam bij nacht

Hallo, ik ben Rick.

Ik neem je mee vanavond.

We gaan samen naar de havens van Rotterdam.

Het is nacht.

De lucht is donker.

We gaan rustig kijken.

EN

We gaan rustig luisteren.

EN

Je hoeft niets te doen.

Je mag ontspannen.

Je mag je ogen sluiten.

Ik vertel je alles.

We staan nu bij het water.

Het water is groot.

Het water is rustig.

De haven van Rotterdam is de grootste haven van Europa.

Dat is heel bijzonder.

Maar vanavond is alles stil.

De dag is voorbij.

De meeste mensen zijn naar huis.

Alleen de nacht is hier.

Alleen het water is hier.

En wij zijn hier.

Je voelt de wind.

De wind komt van het water.

De wind is niet hard.

De wind is zacht.

De wind raakt je gezicht.

De wind raakt je haren.

Het voelt goed.

Het voelt fris.

Je ademt in.

De lucht ruikt naar water.

De lucht ruikt naar zout.

Dat is de zee.

De zee is niet ver.

De zee is verbonden met deze haven.

We kijken naar het water.

Het water is donker.

Het water is bijna zwart, maar er is licht.

Er zijn lichten overal.

De lichten komen van de haven.

De lichten komen van de schepen.

De lichten komen van de kranen.

De kranen zijn heel hoog.

De kranen staan stil nu.

Overdag werken de kranen.

Overdag tillen de kranen containers.

Containers zijn grote dozen van metaal.

In de containers zit van alles.

Maar nu is het nacht.

Nu rusten de kranen.

Je ziet een schip.

Het schip ligt in het water.

Het schip is groot.

Het schip is heel groot.

Het schip is zo groot als een gebouw.

Misschien groter.

Het schip heeft lichten.

De lichten zijn geel.

De lichten zijn warm.

Je ziet de lichten in het water.

Het water weerspiegelt de lichten.

Weerspiegelen betekent dat je iets ziet in het water, zoals in een spiegel.

Het is mooi.

Het is rustig.

We lopen langzaam.

EN

We lopen langs de kade.

De kade is de kant van het water.

De kade is van steen.

De kade is stevig.

Je hoort je voeten.

Je voeten maken een zacht geluid.

Het geluid is rustig.

Alles is rustig hier.

Er is niemand.

Alleen jij.

Alleen ik.

Alleen de nacht.

Je hoort het water.

Het water beweegt een beetje.

Het water maakt een zacht geluid.

Het water klotst tegen de kade.

Klotsen is het geluid van water dat zacht beweegt.

Het is een vriendelijk geluid.

Het is een geluid dat je kalm maakt.

Je luistert.

Je luistert naar het water.

Het water heeft een ritme.

Het water gaat heen en weer.

Heen en weer.

Steeds weer.

Er is een brug.

De brug gaat over het water.

De brug is hoog.

De brug heeft lichten.

De lichten zijn blauw.

De lichten zijn groen.

De lichten zijn rood.

De kleuren zijn zacht.

De kleuren zijn niet fel.

Fel betekent heel helder, te helder.

Maar deze kleuren zijn zacht.

Deze kleuren zijn mooi in de nacht.

Je kijkt naar de brug.

De brug is stil.

Er rijden geen auto's nu.

De brug rust.

We staan stil.

EN

We kijken.

Je voelt de grond onder je voeten.

De grond is stevig.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

Je ademt langzaam.

In en uit.

In en uit.

De lucht is koel.

De lucht is fris.

Het voelt goed om te ademen.

Elke ademhaling maakt je rustiger.

Elke ademhaling maakt je zachter.

Er komt een boot.

De boot is klein.

De boot vaart langzaam.

De boot heeft een lamp.

De lamp is wit.

De lamp schijnt op het water.

Je ziet de boot.

De boot gaat voorbij.

De boot maakt een geluid.

Het geluid is laag.

Het geluid is zacht.

Het is het geluid van de motor.

De motor is niet hard.

De motor bromt zacht.

Brommen is een laag, zacht geluid.

De boot vaart weg.

De boot wordt kleiner.

Nu is de boot weg.

Je kijkt omhoog.

Je ziet de lucht.

De lucht is donker.

Maar er zijn sterren.

Niet veel sterren.

De lichten van de haven zijn te helder.

De lichten maken de sterren zwak.

Maar je ziet een paar sterren.

De sterren zijn klein.

De sterren zijn ver weg.

De sterren zijn rustig.

De sterren bewegen niet.

De sterren zijn er altijd.

Dag en nacht.

Maar je ziet ze alleen in de nacht.

We lopen verder.

EN

We lopen langs een groot gebouw.

Het gebouw is een loods.

Een loods is een groot gebouw waar dingen worden bewaard.

In de loods liggen misschien containers.

Of misschien machines.

EN

Maar nu is de loods dicht.

De loods is donker.

Alleen een paar lichten zijn aan.

De lichten zijn klein.

De lichten zijn voor de veiligheid.

Alles is veilig hier.

Je hoort een geluid.

Het geluid komt van ver weg.

Het is een scheepshoorn.

Een scheepshoorn is het geluid dat een schip maakt.

Het geluid is laag.

Het geluid is lang.

Het geluid gaat door de nacht.

Het geluid is niet hard.

Het geluid is zacht.

Het geluid maakt je niet bang.

Het geluid is normaal hier.

Het geluid hoort bij de haven.

Het geluid hoort bij de nacht.

We komen bij een ander schip.

Dit schip is anders.

Dit schip is een vrachtschip.

Een vrachtschip draagt dingen van land naar land.

Dit schip draagt containers.

Je ziet de containers op het schip.

De containers staan hoog.

De containers staan in rijen.

De rijen zijn recht.

De rijen zijn netjes.

Elke container heeft een kleur.

Rood, blauw, groen, geel.

De kleuren zijn dof in de nacht.

Dof betekent niet helder.

Maar je ziet de kleuren nog steeds.

Het schip heeft een naam.

De naam staat op de zijkant.

De letters zijn groot.

De letters zijn wit.

Je leest de naam.

De naam is uit een ander land Misschien China Misschien Japan Misschien een land ver weg Dit schip reist Dit schip gaat over de zee Dit schip brengt dingen Maar nu rust het schip Nu ligt het schip stil in het water Je voelt de wind weer De wind is nog steeds zacht De wind is nog steeds fris De wind maakt een geluid De wind fluistert Fluisteren is zacht praten.

De wind fluistert door de kranen.

De wind fluistert door de touwen.

Touwen zijn dikke draden.

De touwen hangen aan de schepen.

De touwen houden de schepen vast.

De wind speelt met de touwen.

Het is een zacht geluid.

Het is een rustig geluid.

We lopen naar een andere plek.

Deze plek is open.

EN

Hier is veel ruimte.

Hier zijn geen gebouwen.

Alleen de kade.

Alleen het water.

Alleen de lucht.

Je kunt ver kijken.

Je ziet lichten in de verte.

De lichten zijn van andere delen van de haven.

De haven is heel groot.

De haven gaat kilometers ver.

Kilometers en kilometers.

Maar je hoeft niet alles te zien.

Je hoeft alleen hier te zijn.

Hier bij mij.

Hier bij het water.

Je gaat zitten.

Er is een bankje.

Het bankje is van hout.

Het hout is glad.

Het hout is koel.

Je zit.

Je voelt het bankje onder je.

Het voelt goed om te zitten.

Je benen rusten.

Je voeten rusten.

Je lichaam rust.

Je kijkt naar het water.

Het water is er nog steeds.

Het water is rustig.

Het water beweegt zacht.

Er vaart een schip voorbij.

Dit schip is ver weg.

Het schip is groot.

Maar het schip lijkt klein omdat het ver is.

Het schip heeft lichten.

De lichten zijn als sterren.

De lichten bewegen langzaam.

Het schip vaart langzaam.

Het schip heeft tijd.

Het schip heeft geen haast.

Haast betekent snel willen gaan.

Maar dit schip heeft geen haast.

Dit schip vaart rustig.

Het schip gaat zijn weg.

Het schip verdwijnt langzaam.

Je sluit je ogen.

Je hoeft niet te kijken.

Je mag luisteren.

Je hoort het water.

Je hoort de wind.

Je hoort de haven.

De haven maakt zachte geluiden.

Metaal dat zacht rinkelt.

Rinkelen is een zacht, helder geluid.

Water dat klotst.

Wind die fluistert.

Dit zijn de geluiden van de nacht.

Dit zijn de geluiden van de haven.

Deze geluiden zijn vriendelijk.

Deze geluiden zijn rustgevend.

Je ademt.

Je ademt langzaam.

Je voelt je borst.

Je borst gaat omhoog.

Je borst gaat omlaag.

Omhoog en omlaag.

Rustig.

Regelmatig.

Je hart klopt.

Je hart klopt rustig.

Je voelt je hart.

Je hart is kalm.

Alles in je is kalm.

Alles in je is rustig.

Je doet je ogen open.

Je ziet het water weer.

Het water is er nog.

Het water is er altijd.

Het water gaat nooit weg.

Het water is geduldig.

Geduldig betekent dat je kunt wachten.

Het water wacht.

Het water heeft tijd.

Jij hebt ook tijd.

Jij hoeft nergens heen.

Jij mag hier blijven.

Hier bij het water.

Hier in de nacht.

Er is een meeuw.

Een meeuw is een vogel van de zee.

De meeuw zit op een paal.

Een paal is een dikke stok in het water.

De paal houdt dingen vast.

Maar nu zit de meeuw op de paal.

De meeuw is wit.

De meeuw is grijs.

De meeuw zit stil.

De meeuw slaapt misschien.

Of de meeuw rust.

De meeuw maakt geen geluid.

De meeuw is rustig.

Je kijkt naar de kranen weer.

De kranen zijn heel hoog.

De kranen reiken naar de lucht.

Reiken betekent proberen iets te pakken.

De kranen lijken de lucht aan te raken.

Maar de kranen bewegen niet.

De kranen staan stil.

De kranen zijn donker.

Alleen een paar lichten zijn aan.

Rode lichten.

De rode lichten zijn waarschuwingslichten.

De lichten zeggen dat de kranen hoog zijn.

De lichten zijn voor vliegtuigen.

Maar de lichten zijn zacht.

De lichten zijn niet storend.

We staan op.

We lopen weer.

EN

We lopen langzaam.

EN

Er is geen haast.

We hebben alle tijd.

EN

De nacht is lang.

De nacht is rustig.

We lopen langs het water.

Het water gaat met ons mee.

Het water is onze vriend.

Het water is er altijd.

Je ziet een reflectie.

Een reflectie is een beeld in het water.

Je ziet de lichten in het water.

De lichten dansen zacht.

Dansen betekent bewegen op muziek.

maar hier is geen muziek.

Alleen het water beweegt de lichten.

Het water maakt de lichten zacht.

Het water maakt de lichten mooi.

Je kijkt naar de reflecties.

De reflecties zijn als schilderijen.

Schilderijen van licht en water.

Er is een geluid.

Het geluid is van een trein.

De trein is ver weg.

De trein rijdt door de haven.

De trein draagt containers.

De trein draagt dingen van het schip naar de stad, of van de stad naar het schip.

Maar de trein is ver.

Het geluid is zacht.

Het geluid is laag.

Het geluid is rustgevend.

Het geluid verdwijnt.

Nu is het stil weer.

We komen bij een andere brug.

Deze brug is anders.

EN

Deze brug is lager.

EN

Deze brug is voor treinen.

De brug is van metaal.

Het metaal is oud.

Het metaal is sterk.

De brug heeft een kleur.

De kleur is groen.

Maar in de nacht zie je de kleur niet goed.

In de nacht is alles grijs.

Alles is blauw.

EN

Alles is zwart.

EN

Maar dat is mooi.

De nacht heeft zijn eigen kleuren.

Je voelt je moe.

Moe betekent dat je wilt rusten.

Dat is goed.

Dat is normaal.

De nacht maakt je moe.

Het lopen maakt je moe.

Maar het is een goede moeheid.

Het is een zachte moeheid.

Je lichaam wil rusten.

Je hoofd wil rusten.

Dat mag.

Dat is goed.

We gaan weer zitten.

EN

Er is een muur.

De muur is laag.

De muur is van steen.

De steen is koel.

Maar dat is niet erg.

Je zit op de muur.

Je voeten hangen.

Je voeten bewegen zacht.

Heen en weer.

Het voelt goed.

Het voelt vrij.

Je kijkt naar de horizon.

De horizon is de lijn tussen lucht en water.

Of tussen lucht en land.

EN

De horizon is ver weg.

De horizon is donker.

Maar je ziet lichten.

De lichten zijn van schepen, de schepen zijn ver op zee, de schepen gaan hun weg, de schepen reizen, maar jij bent hier, jij rust, jij kijkt.

de wind wordt zachter, de wind wordt minder.

Misschien stopt de wind.

Misschien komt de wind later terug.

Is de wind zacht?

Is alles stil?

EN

De stilte is diep.

De stilte is zacht.

De stilte is als een deken.

Een deken die je warm houdt.

Een deken die je beschermt.

Je hoort je adem.

Je adem is rustig.

Je adem is langzaam.

In en uit.

Niets anders.

Alleen je adem.

Alleen het water.

Alleen de nacht.

Dit is genoeg.

Dit is alles wat je nodig hebt.

Er gaat een licht aan.

Het licht is op een schip.

Het schip is dichtbij.

Iemand is wakker op het schip.

Iemand loopt.

Je ziet een schaduw.

Een schaduw is een donker beeld.

De schaduw beweegt.

Dan gaat het licht uit.

Nu is het donker weer.

De persoon slaapt misschien.

Of de persoon rust.

net als jij je denkt aan de dag de dag was druk misschien de dag had veel dingen maar de dag is voorbij de dag is weg nu is de nacht is de rust je hoeft niet te denken aan de dag je hoeft niet te denken aan morgen, je hoeft alleen hier te zijn.

Nu, in dit moment.

Het water maakt een geluid.

Het water klotst.

Het geluid is ritmisch.

Ritmisch betekent dat het een patroon heeft.

Het geluid gaat en komt.

Gaat en komt, als een hartslag, als een ademhaling.

Het geluid is levend, het geluid is zacht, het geluid is mooi.

Je ziet een ster, de ster is helder.

De ster is helderder dan de andere sterren.

Misschien is het een planeet.

Een planeet is als de aarde, maar ver weg in de lucht Deze ster is mooi Deze ster schijnt Deze ster is rustig Deze ster beweegt niet Deze ster is er altijd We staan op We lopen terug We lopen langzaam We lopen dezelfde weg maar alles ziet er anders uit.

De nacht is dieper nu.

De nacht is stiller nu.

De lichten lijken zachter.

De schaduwen lijken langer.

Maar alles is goed.

Alles is veilig.

EN

Alles is rustig.

EN

Je ziet het eerste schip weer.

Het schip ligt er nog.

Het schip beweegt niet.

Het schip wacht.

Het schip rust.

De lichten van het schip zijn er nog.

De lichten zijn warm.

De lichten zijn geel.

De lichten maken je blij.

Blij op een zachte manier.

Blij op een rustige manier.

We komen bij de plek waar we begonnen.

EN

De plek is hetzelfde, maar jij bent anders.

Jij bent rustiger.

Jij bent zachter.

Jij bent meer ontspannen.

Ontspannen betekent niet gespannen.

Gespannen is als je spieren hard zijn.

Maar nu zijn je spieren zacht.

Nu is je lichaam rustig.

Je kijkt nog een keer naar het water.

Het water is er nog.

Het water zal er altijd zijn.

Het water wacht.

Het water rust.

Het water ademt.

Net als jij.

Jullie ademen samen.

Jullie rusten samen.

de haven slaapt bijna de haven is stil de haven wacht op de morgen maar de morgen is ver weg nu is de nacht nu is de stilte nu is de rust en dat is perfect dat is precies goed je voelt je ogen Je ogen zijn zwaar.

Zwaar betekent niet licht.

Je ogen willen dicht.

Dat mag.

Dat is goed.

Je mag je ogen sluiten.

Je mag rusten.

Je hebt genoeg gezien.

Je hebt genoeg gehoord.

Nu mag je slapen.

De haven is er morgen nog.

Het water is er morgen nog.

De schepen zijn er morgen nog.

Maar nu mag je gaan.

Nu mag je rusten.

Nu mag je slapen.

Slaap zacht.

Slaap rustig.

Slaap goed.

De nacht houdt je vast.

Het water zingt zacht.

de wind fluistert alles is goed alles is veilig alles is rustig je bent veilig je bent rustig zwaarder je zakt weg je zakt in de rust je zakt in de slaap en dat is goed precies zoals het moet zijn.

Het water klotst.

Een schip vaart voorbij.

Jij bent weg.

De haven waakt over je.

De haven beschermt je.

De lichten schijnen zacht.

De sterren kijken.

Een dunne lijn van licht is er voor jou.

Is het tijd.

Tijd om te gaan.

Tijd om te rusten.

Tijd om te slapen.

Ik laat je los.

Ik laat je gaan.

Ga zacht.

Ga rustig.

Ga in vrede.

Slaap lekker.

Slaap zacht.

Tot morgen.

Of tot een andere nacht.

Als je weer wilt komen.

Als je weer wilt luisteren.

Dan neem ik je mee.

Ga je slapen.

Rust je.

je.

Nu droom je.

Droom van water.

Droom van licht.

Droom van de haven.

Droom van de droomzacht.

Het water ademt samen.

Langzamer.

Zachter.

Stiller.

Is er alleen nog stilte.

Diepe stilte.

Zachte stilte, mooie stilte, de stilte van de nacht, de stilte van het water, de stilte van de slaap.

Welterusten.

Slaap zacht, de haven waakt, het water zinkt, slaapt, rustig, zacht, maal in vrede, omhelst je.

Omhelzen betekent vasthouden met liefde.

De nacht houdt je vast.

Het water wiegt je.

Wiegen betekent zacht heen en weer bewegen, zoals een baby.

Het water wiegt je in slaap.

De haven beschermt je.

En alles is goed.

EN

De laatste lichten doven.

Doven betekent uitgaan.

De lichten worden minder.

De schaduwen worden dieper.

Maar jij ziet het niet.

Jij slaapt.

Jij rust.

Jij droomt.

En ergens vaart een schip.

Ergens klinkt een hoorn.

Ergens beweegt het water.

Maar het is ver weg.

Het is zacht.

Het is als een slaapliedje.

Een slaapliedje van de haven.

Een slaapliedje van de nacht.

Je bent er niet meer.

Je bent weggezakt.

Weggezakt in de slaap.

Weggezakt in de rust.

Weggezakt in de droom.

En daar blijf je.

Zacht.

Rustig.

De hele nacht.

Tot de morgen komt.

Tot het licht komt.

Maar dat is ver weg.

Heel ver weg.

is er alleen de nacht, alleen de stilte, alleen de slaap.

En dat is alles.

Dat is genoeg.

Dat is perfect.

Het water stroomt.

Stromen betekent zacht bewegen, zoals een rivier.

Het water stroomt naar de zee.

Het water stroomt terug.

Het water stroomt altijd.

Dag en nacht.

Maar jij merkt het niet.

Jij slaapt.

De kranen staan stil.

De schepen liggen stil.

De haven is stil.

Alles is stil.

EN

En zo eindigt de nacht.

Niet met lawaai, niet met licht, maar met stilte, met rust, met slaap, zachte slaap, diepe slaap.

De haven van Rotterdam slaapt.

Het water slaapt.

En jij slaapt samen.

In vrede in de zachte nacht.

En morgen is er weer een dag.

Morgen is er weer licht.

Morgen is er weer leven, is er slaap.

Nu is er rust, nu is er vrede.

Slaap zacht, slaap diep, slaap, de haven waakt.

Het water zingt en jij droomt.

Droomt van water Droomt van licht Droomt van rust Tot morgen, tot een andere keer Als je weer komt Als je weer luistert Dan ben ik er Dan vertel ik weer Dan nemen we weer een wandeling Door de haven Door de nacht Welterusten.

Slaap zacht.

Droom, de haven houdt je vast.

Het water wiegt je.

En alles is goed.

EN

Alles is rustig.

EN

Alles is zoals het moet zijn.

De nacht is diep.

De slaap is diep.

En jij bent veilig, helemaal veilig, helemaal rustig bij het water is er niets meer.

Alleen stilte, alleen rust, alleen slaap, diepe, zachte, mooie slaap.

En dat is het einde, het einde van ons verhaal, het einde van onze wandeling.

Maar het begin van je rust.

Het begin van je slaap.

Het begin van je droom.

Slaap zacht.

Welterusten.

Tot ziens.

De nacht gaat verder.

De haven is stil.

Het water is rustig.

De boten slapen.

De vogels slapen.

En jij slaapt ook.

En rustig.

Zacht en stil.

De maan staat hoog aan de hemel.

De maan geeft licht.

Zacht licht.

Zilverlicht.

Het licht valt op het water.

Het water glanst.

Het water schittert.

Heel zacht.

Heel mooi.

De sterren zijn er nog steeds.

De sterren twinkelen.

De sterren kijken naar de haven.

De sterren kijken naar de boten.

De sterren kijken naar jou en de sterren zijn blij.

Blij dat je rust.

Blij dat je slaapt.

Er komt een zachte wind.

De wind komt van de zee.

De wind is warm.

De wind is zacht.

De wind streelt het water.

De wind streelt de boten.

De wind streelt alles in de haven.

Heel zacht, Heel rustig De wind zingt een lied Een heel zacht lied Een slaaplied Het lied heeft geen woorden Het lied is alleen geluid Zacht geluid Rustig geluid Het geluid van de nacht Het geluid van de zee Het geluid van de haven.

De golven bewegen.

De golven gaan op en neer.

Heel langzaam.

Heel zacht.

De golven maken muziek.

Zachte muziek.

Rustgevende muziek.

De muziek wiegt je.

De muziek troost je.

De muziek laat je slapen.

Er is een oude vuurtoren.

De vuurtoren staat aan de rand van de haven.

De vuurtoren is hoog.

De vuurtoren is sterk.

De vuurtoren staat al heel lang.

Vele jaren.

Vele nachten.

Het licht van de vuurtoren draait.

Het licht gaat rond en rond.

Heel langzaam.

Heel regelmatig.

Het licht schijnt over het water.

Het licht schijnt over de boten.

Het licht schijnt over de haven.

Het licht zegt, alles is goed.

Het licht zegt, je bent veilig.

Het licht zegt, slaap maar rustig.

En het licht heeft gelijk.

Alles is goed.

EN

Je bent veilig.

Je mag rustig slapen.

De vuurtoren waakt.

de vuurtoren past op, de vuurtoren let op de haven de vuurtoren let op de boten de vuurtoren let op de zee en de vuurtoren let op jou de hele nacht elke nacht er zijn vissen in het water de vissen slapen ook.

De vissen zwemmen langzaam.

Heel langzaam.

Bijna niet.

De vissen dromen.

Dromen van de zee.

Dromen van het water.

Dromen van de haven.

Er zijn zeesterren op de bodem.

De zeesterren liggen stil, de zeesterren rusten, de zeesterren wachten, wachten op de morgen, wachten op het licht.

Maar nu is het nacht, nu is het tijd om te rusten.

Er zijn schelpen op de bodem, Mooie schelpen Grote schelpen En kleine schelpen De schelpen liggen stil.

De schelpen bewegen niet.

De schelpen slapen.

Net als jij.

Het water is diep.

Het water is donker.

Het water is mysterieus.

Maar het water is ook vriendelijk.

Het water is ook zacht.

Het water is ook veilig.

Het water houdt alles vast.

Het water draagt alles.

Het water zorgt voor alles.

De nacht wordt dieper.

De stilte wordt dieper.

de rust wordt dieper en je slaap wordt dieper.

Steeds dieper.

Steeds rustiger.

Steeds zachter.

Er is een oude man.

De man woont in de haven.

De man woont al heel lang in de haven.

De man kent elke boot.

De man kent elk geluid.

De man kent de haven als zijn broekzak.

De man loopt elke nacht.

De man loopt langs het water.

De man kijkt naar de boten.

De man luistert naar de geluiden.

De man voelt de wind.

De man ruikt de zee.

De man is gelukkig.

De man houdt van de haven.

De man houdt van de nacht.

De man houdt van de stilte.

De haven is zijn thuis.

Het water is zijn vriend.

De nacht is zijn tijd.

De man loopt langzaam.

De man heeft geen haast.

De man geniet.

Geniet van de rust.

Geniet van de stilte.

Geniet van de vrede.

De man weet dit is goed.

Dit is mooi.

Dit is waar het om gaat.

De man kijkt naar de maan.

De man glimlacht.

De man denkt, wat een mooie nacht.

Wat een rustige nacht.

Wat een vredige nacht.

En de man heeft gelijk.

Het is een mooie nacht.

het is een rustige nacht het is een vredige nacht de man gaat naar huis de man gaat slapen de man is moe moe van de dag moe van het lopen maar het is een goede moeheid een tevreden moeheid een rustige moeheid.

De man slaapt.

Net als de boten.

Net als de vogels.

Net als de vissen.

Net als jij.

Iedereen slaapt.

Alles slaapt.

De hele haven slaapt.

De nacht is lang.

De nacht is donker.

Maar de nacht is niet eng.

De nacht is vriendelijk.

De nacht is zacht.

De nacht is veilig.

De nacht houdt je vast.

De nacht laat je rusten.

De nacht laat je slapen.

Er zijn wolken aan de hemel, zachte wolken, witte wolken.

De wolken drijven.

De wolken bewegen langzaam, heel langzaam.

De wolken gaan hun eigen weg, rustig en kalm.

De wolken bedekken soms de maan, dan wordt het donkerder, maar niet te donker, nooit te donker.

En dan gaan de wolken weer verder, dan komt de maan weer tevoorschijn, dan is er weer licht, zacht, zilverlicht.

De wolken maken vormen, mooie vormen, zachte vormen, vormen van dieren, vormen van boten, vormen van dromen.

De wolken vertellen verhalen, verhalen zonder woorden, verhalen van de lucht, verhalen van de nacht.

Er is een kat.

De kat woont in de haven.

De kat loopt over de kade.

De kat heeft zachte poten.

De kat maakt geen geluid.

De kat is stil.

Heel stil.

De kat kijkt naar het water.

De kat kijkt naar de boten.

De kat kijkt naar de maan.

De kat ziet alles.

De kat hoort alles.

De kat voelt alles.

De kat gaat zitten.

De kat zit op een paal.

De kat wast zijn vacht, langzaam en zorgvuldig.

De kat heeft tijd.

De kat heeft alle tijd.

De nacht is lang.

De kat wordt moe.

De kat gaapt.

De kat rekt zich uit.

De kat zoekt een plek.

Een warme plek.

Een zachte plek.

Een veilige plek.

De kat vindt een doos.

Een oude doos.

Een kartonnen doos.

De doos staat op de kade.

De doos is droog.

De doos is beschut.

De doos is perfect.

De kat gaat in de doos.

De kat draait rond.

De kat maakt zich klein.

De kat gaat liggen.

De kat sluit zijn ogen.

De kat slaapt.

Diep en rustig.

De kat droomt.

Droomt van vissen.

Droomt van melk.

Droomt van zonlicht.

Mooie dromen.

Zachte dromen.

Gelukkige dromen.

De haven zorgt voor de kat.

De haven zorgt voor de boten.

De haven zorgt voor de vogels.

De haven zorgt voor alles.

De haven zorgt voor iedereen.

De haven zorgt ook voor jou.

De nacht gaat voorbij.

langzaam maar zeker, seconde na seconde, minuut na minuut, uur na uur, maar er is geen haast, er is alle tijd, de tijd voor rust, de tijd voor slaap, het water blijft bewegen, Het water blijft stromen.

Het water blijft wiegen.

Het water stopt nooit.

Het water is altijd.

Het water is er altijd.

Voor altijd.

de geluiden van de haven blijven zachte geluiden vertrouwde geluiden rustgevende geluiden de geluiden die je kent de geluiden die je vertrouwt de geluiden die je helpen slapen er is een touw Het touw hangt aan een boot Het touw beweegt Het touw tikt tegen de mast Tik, tik, tik Zacht en regelmatig Als een klok Als een hartslag Het geluid is kalmerend Het geluid is rustgevend Het geluid is hypnotiserend.

Het geluid wiegt je.

Het geluid troost je.

Het geluid laat je slapen.

Dieper en dieper.

Er zijn lantaarns langs de kade.

Oude lantaarns.

Mooie lantaarns.

De lantaarns geven licht.

Warm licht.

Geel licht.

Niet te veel licht.

Precies genoeg licht.

Het licht maakt schaduwen, zachte schaduwen, lange schaduwen.

De schaduwen dansen, de schaduwen bewegen, de schaduwen spelen.

Spelen op de kade, spelen op het water.

Er is een bank.

Een oude houten bank.

De bank staat aan het water.

De bank kijkt uit over de haven.

Mensen zitten vaak op de bank.

Overdag, als de zon schijnt.

Maar nu is de bank leeg.

Nu is het nacht.

Nu slaapt iedereen.

De bank rust ook.

De bank wacht.

Wacht op de morgen.

Wacht op de mensen.

Wacht op het leven.

Maar nu is er rust.

Nu is er stilte.

Nu is er vrede.

En dat is goed.

Dat is mooi.

Dat is precies goed.

De zee ademt.

In en uit.

In en uit.

Langzaam en regelmatig.

De zee is levend De zee is sterk De zee is oud Heel oud De zee was er altijd al De zee zal er altijd zijn De zee kent alle verhalen De zee heeft alles gezien De zee weet alles Maar de zee is stil De zee vertelt niet de zee bewaart de geheimen bewaart de verhalen bewaart de dromen de zee is vriendelijk de zee is zacht vanavond vannacht de zee is rustig de zee is kalm de zee helpt je slapen De zee wiegt je, de zee draagt je, de zee houdt je vast En jij ligt daar, in je bed Warm en veilig, zacht en stil Je ademt rustig, je hart klopt rustig Je lichaam rust, je geest rust Je hoort de haven, je voelt het water.

Je ziet de maan.

In je gedachten, in je dromen.

En het is allemaal goed.

Het is allemaal mooi.

Het is allemaal rustig.

Je ogen zijn gesloten.

Je spieren zijn ontspannen.

je gedachten zijn stil, je bent moe, zo moe, zo heerlijk moe, en je slaapt, je slaapt diep, je slaapt zacht, je slaapt goed.

De haven blijft, het water blijft, de maan blijft, de sterren blijven, alles blijft, alles waakt, alles zorgt voor jou, de hele nacht, elke nacht.

En morgen wordt het licht, morgen komt de zon, morgen begint een nieuwe dag.

Maar dat is morgen.

Nu is het nacht.

Nu is het tijd om te slapen.

Nu is het tijd om te rusten.

Nu is het tijd om te dromen.

Dus slaap maar.

Slaap rustig.

Slaap diep.

Slaap zacht.

De haven is bij je, het water is bij je, de nacht is bij je.

En alles is goed, alles is veilig, alles is zoals het moet zijn.

EN

Welterusten, slaap zacht, droom mooi.

De haven houdt van je.

Het water houdt van je.

En jij bent thuis.

Helemaal thuis.

Helemaal veilig.

Helemaal rustig.

En de nacht gaat verder.

Stil en zacht.

Rustig en vredig.

Met jou erin.

slapend, dromend, rustend, en dat is perfect, dat is mooi, dat is goed.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze