Alle podcasts

Een winteravond bij de open haard

Hallo, ik ben Rick.

Welkom bij dit verhaal.

Vanavond neem ik je mee naar een rustige plek.

Het is winter.

Buiten is het koud, maar binnen is het warm.

We gaan samen naar een oud huis.

Het huis staat in de natuur.

Er is een open haard.

Het vuur brandt zacht.

Je gaat je heel rustig voelen.

Adem maar rustig in, adem rustig uit.

We beginnen nu.

EN

Je staat voor een oud huis.

Het huis is gemaakt van steen.

De stenen zijn grijs en bruin.

Het huis heeft een groot dak.

Op het dak ligt sneeuw.

De sneeuw is wit en zacht.

Alles is stil.

EN

Je hoort geen auto's.

Je hoort geen mensen.

de mensen.

Alleen de wind waait zacht.

De wind maakt een rustig geluid.

Het geluid is als een fluistering.

Je voelt de koude lucht op je gezicht.

De lucht prikt een beetje, maar het voelt fris.

Het voelt goed.

Je loopt naar de deur.

De deur is van hout.

Het hout is donkerbruin.

Er zit een ijzeren klink op de deur.

De klink voelt koud aan.

Je duwt de klink naar beneden.

De deur gaat open.

Je stapt naar binnen.

Meteen voel je de warmte.

De warmte komt je tegemoet.

Het is een zachte warmte.

Het is een vriendelijke warmte.

Je doet de deur achter je dicht.

Nu ben je binnen.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je staat in een grote kamer.

De kamer heeft houten vloeren.

Het hout is oud.

Het hout kraakt een beetje als je loopt.

Dat geluid is vertrouwd.

Het is een fijn geluid.

Aan de muur hangen schilderijen.

De schilderijen laten bossen zien en bergen en rivieren.

De kleuren zijn zacht, bruin en groen en blauw.

Je kijkt naar de schilderijen.

Ze maken je rustig.

In het midden van de kamer staat een bank.

De bank is groot en zacht.

De bank heeft dikke kussens.

De kussens zijn rood en oranje.

Naast de bank staat een kleine tafel.

Op de tafel staat een kaars.

De kaars brandt.

Het licht van de kaars is geel.

Het licht beweegt zacht.

Het danst een beetje.

Je kijkt naar het licht.

Het is mooi om te zien.

Maar het mooiste is de open haard.

De haard staat aan de andere kant van de kamer.

Het is een grote haard.

Hij is gemaakt van steen.

Oude, donkere steen.

In de haard brandt een vuur.

Het vuur is niet groot.

Het is niet wild.

Het is een rustig vuur.

De vlammen bewegen langzaam.

Ze zijn oranje en geel.

Soms zijn ze een beetje blauw.

Het vuur maakt een zacht geluid.

Het knettert zacht.

Dat geluid is als muziek.

Zachte, rustige muziek.

Je loopt naar de bank.

Je gaat zitten.

De bank is heel zacht.

Je zakt een beetje in de kussens.

Het voelt comfortabel.

Het voelt veilig.

Je leunt achterover.

Je voeten staan op de grond.

De vloer is warm.

De warmte van het vuur heeft de vloer verwarmd.

Alles hier is warm.

Alles is rustig.

EN

Je sluit even je ogen.

Je ademt diep in.

De lucht ruikt naar hout.

Naar brandend hout.

Het is een goede geur.

Een geur die je kent.

een geur die je vertrouwt.

Je opent je ogen weer.

Je kijkt naar het vuur.

Het vuur brandt rustig door.

Het vraagt niets van je.

Het is er gewoon.

Het geeft warmte.

Het geeft licht.

Je kunt gewoon kijken.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

Dit is genoeg.

Je kijkt naar de vlammen.

De vlammen bewegen.

Ze gaan omhoog.

Ze dansen.

Ze veranderen van vorm.

Elke seconde is het vuur anders.

Maar het blijft hetzelfde vuur.

Het blijft rustig.

Het blijft mooi.

Het hout in de haard is dik.

Het zijn grote stukken hout.

Het hout was een boom.

Nu geeft het hout warmte.

Het hout brandt langzaam.

Het heeft geen haast.

Er liggen vier stukken hout in de haard.

Ze liggen op elkaar.

Tussen het hout zie je de vlammen.

De vlammen likken langs het hout.

Het hout wordt langzaam zwart.

Maar het brandt nog lang.

Het vuur gaat niet snel uit.

Je hoeft je geen zorgen te maken.

Het vuur blijft branden.

Het vuur blijft je warm houden.

Je hoort het vuur knetteren.

Dat geluid komt van het hout.

Het hout heeft water in zich.

Het water wordt warm.

Het water verdampt.

Dat maakt het geluid.

Een zacht geknetter.

Soms een klein gekraak.

Het zijn kleine geluiden, maar je hoort ze goed.

Want alles is stil.

Er is geen lawaai.

Er is geen televisie.

Er is geen radio.

Alleen het vuur.

Alleen de stilte.

En dat is precies goed.

Buiten begint het te sneeuwen.

Je ziet het door het raam.

Het raam is groot.

Het raam kijkt uit op het bos.

De bomen zijn donker.

De lucht is grijs.

En uit de lucht vallen sneeuwvlokken.

De sneeuwvlokken zijn klein.

Ze dwarrelen naar beneden.

Ze bewegen langzaam.

Ze dansen in de wind.

De wind is niet hard.

De wind is zacht.

Hij draagt de sneeuwvlokken.

Hij legt ze op de grond.

Hij legt ze op de bomen.

Alles wordt wit.

Alles wordt zacht.

Je kijkt naar de sneeuw en dan kijk je weer naar het vuur.

Buiten is het koud.

Binnen is het warm.

Dat contrast is fijn.

Je voelt je veilig binnen.

Je voelt je beschermd.

De muren houden de kou buiten.

Het vuur houdt je warm.

Je bent op de juiste plek.

Je bent precies waar je moet zijn.

Er is nergens anders waar je nu wilt zijn.

Hier is goed.

Hier is genoeg.

Op de tafel naast je staat een mok.

In de mok zit thee.

De thee is nog warm.

Je pakt de mok.

De mok voelt warm aan in je handen.

Dat voelt prettig.

Je brengt de mok naar je mond.

Je ruikt de thee.

De thee ruikt naar kruiden, naar munt misschien, of naar kamille.

Het is een zachte geur, een rustgevende geur.

Je neemt een slok.

De thee is niet te heet, hij is precies goed.

De warmte stroomt door je lichaam.

Van je mond naar je keel.

Van je keel naar je maag.

Je voelt de warmte binnenin je.

Het is een fijn gevoel.

Je zet de mok terug op de tafel.

Je leunt weer achterover.

Je kijkt weer naar het vuur.

De vlammen bewegen nog steeds.

Ze zijn nooit hetzelfde.

Elke keer als je kijkt zie je iets nieuws.

Een nieuwe vorm.

Een nieuwe kleur.

Een nieuwe beweging.

Maar het is altijd rustig.

Het is altijd mooi.

Het is altijd troostend.

Je zou hier uren naar kunnen kijken.

En misschien doe je dat ook wel.

Misschien blijf je gewoon kijken.

Er is geen haast.

Er is alle tijd.

De kamer wordt langzaam donkerder.

Buiten gaat de zon onder.

Het is winter.

De dagen zijn kort, de nachten zijn lang.

Maar dat geeft niet.

Je bent binnen.

Je hebt licht.

Het licht van het vuur.

Het licht van de kaars.

Dat is genoeg.

Je hebt geen felle lampen nodig.

Het zachte licht is beter.

Het zachte licht is rustiger.

Het helpt je om tot rust te komen.

Het helpt je om los te laten.

Je denkt aan de dag die voorbij is.

Misschien was het een drukke dag.

Misschien was je moe.

Misschien had je veel te doen.

Maar nu is de dag voorbij.

Nu is het avond.

Nu mag je rusten.

Je hoeft niets meer te doen.

Je mag gewoon zijn.

Je mag gewoon hier zitten.

Bij het vuur.

In de warmte.

In de stilte.

Alles wat gebeurd is laat je los.

Het is voorbij.

Het is goed.

Nu ben je hier.

Het vuur brandt door.

De vlammen worden misschien iets kleiner, maar ze zijn er nog.

Ze geven nog steeds warmte.

Ze geven nog steeds licht.

Een stuk hout verschuift een beetje.

Het zakt iets naar beneden.

Er komt een kleine vonkenregen.

De vonken zijn klein en oranje.

Ze vliegen omhoog.

Ze dansen in de lucht.

Dan verdwijnen ze.

Het is mooi om te zien.

Het is als een klein vuurwerk.

Een heel klein, heel rustig vuurwerk.

Alleen voor jou.

Je hoort de wind buiten.

De wind waait langs het huis.

Hij waait door de bomen.

De bomen kraken zacht.

Hun takken bewegen.

Maar jij bent binnen.

De wind kan je niet raken.

De kou kan je niet raken.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je luistert naar de wind.

Het geluid is ver weg.

Het is een achtergrondgeluid.

Het maakt je nog rustiger.

Want je bent hier.

Je bent niet daar buiten.

Je bent hier binnen.

Bij het vuur.

De sneeuw valt nog steeds.

De sneeuwvlokken zijn nu iets groter.

Ze vallen zachter.

Ze dwarrelen langzaam naar beneden.

Op de vensterbank ligt dan een laagje sneeuw.

Het laagje is dun.

Het is wit en schoon.

Het ziet er mooi uit.

Morgen is alles misschien wit.

EN

Morgen ligt er misschien veel sneeuw.

Maar dat is morgen.

Nu is nu.

EN

En nu zit je hier.

Bij het vuur.

In de warmte.

In het moment.

Je sluit je ogen weer.

Je luistert naar de geluiden.

Het knetteren van het vuur.

Het zacht kraken van het hout.

De wind buiten.

Je eigen ademhaling.

In.

Rustig.

Je lichaam ontspant.

Je schouders zakken naar beneden.

Je handen liggen rustig in je schoot.

Je voeten staan stevig op de grond.

Alles mag Zwaar worden.

Niets om je zorgen over te maken.

Alles mag zijn zoals het is.

Je opent je ogen een klein beetje.

Je kijkt door je wimpers.

Alles is een beetje wazig.

Het vuur is een oranje gloed.

De kamer is zacht.

Het is een veilige duisternis.

Geen enge duisternis.

Het is de duisternis van de avond.

Je lichaam weet wat dit betekent.

Het is tijd om langzaam.

Tijd.

Op de schoorsteenmantel staan dingen.

De klok.

De klok tikt zacht.

Het geluid is regelmatig.

Het is voorspelbaar.

Rustgevend.

De klok heeft geen haast.

Hij telt de tijd.

Seconde voor seconde.

Maar de tijd voelt niet belangrijk.

De tijd gaat voorbij.

Dat is goed.

Je hoeft nergens op te letten.

Je hoeft niet te weten hoe laat het is.

Je bent hier.

Naast de klok staat een foto.

De foto is oud.

Hij is in een houten lijst.

Op de foto zie je een bos.

Hetzelfde bos dat buiten is.

Maar in de zomer.

De bomen zijn groen.

De lucht is blauw.

Het ziet er vredig uit.

Het ziet er mooi uit.

Nu is het winter.

Nu zijn de bomen kaal.

Nu is de lucht grijs.

Maar het is nog steeds mooi.

Elke tijd van het jaar is mooi.

Elk seizoen heeft zijn eigen schoonheid.

Winter heeft sneeuw.

Winter heeft stilte.

Winter heeft avonden bij het vuur.

Je kijkt weer naar het vuur.

Een vlam beweegt naar links.

Dan naar rechts.

Dan weer naar boven.

De vlam volgt de lucht.

De lucht in de schoorsteen trekt.

De lucht trekt de rook omhoog.

De rook verdwijnt.

Je ziet hem niet in de kamer.

Hij gaat naar buiten, door de schoorsteen, naar de lucht.

Alles werkt zoals het moet werken.

Het is in orde.

Je hoeft niets te regelen.

Je hoeft niets te doen.

Je voelt de warmte op je gezicht.

Het vuur straalt warmte uit.

Die warmte komt naar je toe.

Je huid voelt het.

Je wangen worden een beetje warm.

Het is een fijne warmte.

Niet te veel.

Precies genoeg.

Je handen liggen in je schoot.

Ook je handen zijn warm.

Alles aan je is warm.

Je bent helemaal ontdooid.

De kou van buiten is verdwenen.

Je bent door en door warm.

warm en rustig.

Misschien voel je je ogen zwaar worden.

Dat is goed, dat mag.

Je hoeft ze niet open te houden.

Je mag ze sluiten.

Je mag rusten.

Het vuur brandt door, ook als je je ogen sluit.

Het vuur is er.

Het geeft warmte.

Het geeft licht.

Je hoeft niet te kijken om het te weten.

Je voelt het.

Je hoort het.

Het is er.

Het blijft er.

Je bent veilig.

De bank onder je is zacht.

De kussens ondersteunen je.

Je lichaam rust.

Elk deel van je lichaam mag zwaar zijn.

Je voeten, je benen, je rug, je armen, je hoofd.

Alles mag zwaar zijn.

Alles mag rusten.

Je hoeft niets vast te houden.

Je mag loslaten.

De bank houdt je vast.

Het huis houdt je vast.

Je bent veilig.

Je bent geborgen.

Buiten is de wereld stil.

De sneeuw dempt alle geluiden.

De sneeuw maakt alles zacht.

De sneeuw bedekt alles met een witte deken.

Het is een deken van rust, van stilte, van vrede.

En binnen heb jij je eigen deken.

De deken van warmte.

De deken van het vuur.

Je bent omgeven door goede dingen, door zachte dingen, door veilige dingen.

Het vuur knettert nog een keer.

Een zacht geluid.

Een vertrouwd geluid.

Het hout brandt langzaam op.

Het wordt as, grijs en licht.

Maar er is nog genoeg hout.

Het vuur brandt nog lang.

De hele nacht misschien.

Of in elk geval nog heel lang.

EN

Lang genoeg.

Je hoeft je geen zorgen te maken.

Alles is geregeld.

EN

Alles is goed.

EN

Je ademhaling wordt langzamer.

In en uit.

Rustig en diep.

Je buik gaat omhoog.

Je buik gaat omlaag.

als een zachte golf, als water dat komt en gaat.

Je hoeft er niet over na te denken.

Je lichaam doet het vanzelf.

Je lichaam weet wat het moet doen.

Je mag het vertrouwen.

Je mag je overgeven.

De kaars op de tafel brandt nog steeds.

De vlam is klein.

De vlam is stil.

Hij beweegt bijna niet.

Het licht is zacht.

Het licht is geel.

Het verlicht de tafel.

Het verlicht de mok.

Het verlicht je handen.

Het is een vriendelijk licht.

Een zacht licht.

Een licht dat bij de avond hoort en licht dat bij de rust hoort.

Je denkt aan niets speciaals.

Gedachten komen, gedachten gaan.

Dat is goed.

Je hoeft ze niet vast te houden.

Je hoeft ze niet weg te duwen.

Ze mogen er zijn.

Ze mogen weer gaan.

Als wolken aan de lucht.

Ze drijven voorbij.

Jij blijft hier.

Jij blijft rustig.

Jij blijft gewoon zitten.

Bij het vuur.

In de warmte.

Misschien hoor je ergens in het huis een geluid.

Een zacht gekraak.

Het huis zet uit.

Het hout in de muren beweegt.

Dat is normaal.

Oude huizen doen dat.

Ze maken geluiden.

Kleine geluiden.

Het zijn vriendelijke geluiden.

Het zijn de geluiden van een huis dat leeft.

Een huis.

Het huis is er voor je.

Het beschermt je.

Het houdt je warm.

Je voelt je heel zwaar.

Alsof je zinkt in de bank.

Alsof je een deel wordt van de bank.

Dat is een fijn gevoel.

Een gevoel van loslaten.

Van overgave.

Je hoeft niets meer vast te houden.

Je mag gewoon zijn.

Zwaar en stil.

Rustig en warm.

Alles is goed.

EN

Alles is zoals het moet zijn.

Het vuur brandt nu heel rustig.

De vlammen zijn lager, maar ze zijn er nog.

Ze geven nog steeds licht.

Ze geven nog steeds warmte.

Het is genoeg.

Het is meer dan genoeg.

Je hebt alles wat je nodig hebt.

Warmte, licht, stilte, rust, veiligheid, vrede.

Alles is hier.

Alles is nu.

EN

De sneeuw buiten valt zachter.

Misschien stopt het sneeuwen binnenkort.

Of misschien sneeuwt het de hele nacht.

Het maakt niet uit.

Jij bent binnen.

Jij bent warm.

De sneeuw kan doen wat hij wil.

Jij bent hier.

Bij het vuur.

In je veilige plek.

In je warme plek.

Je ogen zijn nu gesloten.

Of bijna gesloten.

EN

Je ziet het licht van het vuur door je oogleden.

Een oranje gloed.

Een zachte gloed.

Het is mooi.

Het is rustgevend.

Je hoeft je ogen niet te openen.

Je mag ze gesloten houden.

Je mag rusten.

Je mag slapen.

Het vuur waakt over je.

Het huis waakt over je.

Alles is veilig.

EN

Je hoort je eigen hartslag.

Rustig.

en regelmatig.

Bonk, een rustig ritme, een levensritme.

Het klopt in je borst, het klopt in je oren.

Het is een goed geluid.

Het betekent dat je leeft, dat je hier bent, dat je rust, dat je veilig bent.

Je hart doet zijn werk, rustig en trouw.

Je hoeft er niets voor te doen.

De warmte van het vuur omarmt je.

Het is alsof je in een warme deken zit, een deken van warmte, een deken van licht.

Je bent helemaal omhuld, helemaal beschermd.

Niets kan je raken, niets kan je storen.

Je bent in je cocon.

Je bent in je veilige plek.

Je bent thuis.

Misschien droom je al een beetje.

Misschien zie je beelden.

Beelden van bossen, van sneeuw, van vuur, van licht.

Het zijn zachte beelden.

Vriendelijke beelden.

Ze komen en gaan.

Als golven op een strand.

Je hoeft ze niet vast te houden.

Je mag ze laten komen.

Je mag ze laten gaan.

Ze zijn er en dan zijn ze er niet meer.

En dat is goed.

Het hout in de haard verschuift nog een keer.

Heel zacht.

Bijna niet hoorbaar.

Het zakt iets in elkaar.

De as valt naar beneden.

Het vuur past zich aan.

Het brandt door.

Rustig en geduldig.

Het heeft geen haast.

Het heeft alle tijd.

Net als jij.

Jij hebt ook alle tijd.

Er is nergens waar je heen moet.

Er is niets dat je moet doen.

Je mag hier blijven, zo lang als je wilt.

De klok op de schoorsteenmantel tikt door.

Tik, tak, tik.

Het geluid wordt een deel van de stilte.

Het verstoort de stilte niet.

Het versterkt de stilte.

Het maakt de stilte voller, rijker.

Je luistert naar het tikken.

Of je luistert er niet naar Het maakt niet uit Het is er Het is een trouwe metgezel Een rustig ritme in de nacht Je voelt hoe je lichaam ontspant Helemaal ontspant Elk spiertje laat los Je gezicht is zacht Je kaak hangt los Je tong ligt rustig in je mond.

Je schouders hangen.

Je armen zijn zwaar.

Je handen zijn open.

Je benen zijn zwaar.

Je voeten rusten op de grond.

Alles is zwaar.

EN

Alles is ontspannen.

EN

Alles is goed.

EN

De lucht in de kamer is warm.

De lucht ruikt naar hout, naar rook, naar was van de kaars.

Het zijn goede geuren, vertrouwde geuren.

Geuren die horen bij een winteravond, bij een avond bij het vuur, bij een avond van rust.

Je ademt de geuren in.

Je ademt ze uit.

Met elke ademhaling word je rustiger.

Met elke ademhaling laat je meer los.

Buiten is alles donker.

EN

De nacht is gevallen.

De wereld slaapt, de bomen slapen, de dieren slapen, alles rust en jij rust ook, jij bent een deel van de nacht, een deel van de rust, een deel van de stilte, je bent verbonden met alles, met de nacht, met de winter, met de aarde.

Je bent hier.

Het vuur brandt nu heel zacht.

De vlammen zijn klein.

Ze bewegen nauwelijks, maar ze zijn er.

Ze geven een zachte gloed, een oranje gloed in het donker.

Het is genoeg licht.

Het is precies genoeg.

Je ziet het door je gesloten ogen.

Of je voelt het.

Het maakt niet uit.

Het vuur is er.

Blijft er.

Houdt je gezelschap.

Hoort bijna niets meer.

Misschien de wind, heel zacht, heel ver weg.

Misschien het vuur, heel zacht, heel dichtbij.

Misschien je eigen adem, zacht en langzaam.

Dat zijn de enige geluiden.

en stilte.

Veel stilte.

Stilte.

Zachte stilte.

Goede stilte.

Je bent nu heel ver weg.

Ver van de wereld, ver van de dag, ver van alles.

Je bent in je eigen plek, je eigen ruimte.

Een ruimte van warmte, een ruimte van licht, een ruimte van vrede.

Hier ben je veilig, hier ben je thuis.

Hier mag je zijn wie je bent.

Hier mag je rusten.

De bank houdt je vast.

Het huis houdt je vast.

Het vuur houdt je warm.

De nacht houdt je geborgen.

Alles werkt samen.

Alles zorgt voor je. Je hoeft niets te doen.

Je mag ontvangen.

Je mag rusten.

Je mag loslaten.

Je mag slapen.

Het vuur wordt steeds zachter.

De vlammen worden steeds kleiner.

Maar de warmte blijft.

De warmte is in de stenen.

De warmte is in de lucht.

De warmte is in jou.

Je draagt de warmte met je mee.

Ook als het vuur uitgaat.

Ook als de nacht diep is.

De warmte blijft.

In jou.

Om jou heen.

Je adem is nu heel zacht, bijna niet meer te horen.

In en uit, langzaam en diep.

Je borst gaat omhoog, je borst gaat omlaag.

Als een zachte deining, als de zee, rustig en eindeloos.

Je bent als water.

Je stroomt.

Je rust.

Je bent.

Misschien slaap je al.

Misschien ben je er nog.

Het maakt niet uit.

De grens is dun.

De grens is zacht.

Je mag overgaan.

Je mag blijven.

Alles is goed, alles is veilig.

EN

Je bent waar je moet zijn.

Je doet wat je moet doen.

Je rust.

Het vuur is nu bijna uit.

Alleen nog gloeiende kolen, rood en oranje.

Ze gloeien in het donker.

Ze geven nog steeds warmte.

Zachte warmte.

Diepe warmte.

De warmte van de aarde.

De warmte van het leven.

Het is genoeg.

Het is meer dan genoeg.

De kaars op de tafel is bijna op.

De vlam wordt kleiner.

Hij flakkert een beetje.

Nog een paar minuten.

Dan gaat hij uit.

Maar dat is goed.

Je hebt het licht niet meer nodig.

Je hebt de duisternis, de zachte duisternis, de vriendelijke duisternis, de duisternis van de slaap.

Je bent nu heel stil, heel rustig, heel ver.

Je hoort niets meer.

Je voelt alleen warmte.

Alleen zachtheid.

Alleen vrede.

Je bent omgeven door goedheid.

Door veiligheid.

Alles is goed.

EN

Alles is heel goed.

EN

De nacht omhult je.

De nacht neemt je op.

Je bent een deel van de nacht, een deel van de stilte, een deel van de rust. Je lost op, je wordt een met alles, met het huis, met het vuur, de nacht. Je bent alles, je bent niets, je bent. En dan is er alleen nog stilte.

Diepe stilte.

Zachte stilte.

Goede stilte.

De stilte van de slaap.

De stilte van de vrede.

De stilte van thuis.

Je bent er.

Je bent veilig.

Je slaapt.

Alles is goed.

EN

Alles is heel goed.

EN

Welterusten.

De nacht is diep, de nacht is zacht, de nacht is goed, je bent in de nacht, je bent veilig in de nacht.

De nacht houdt je vast, de nacht beschermt je, de nacht geeft je rust, het huis slaapt ook, het huis rust ook.

De muren rusten.

Het dak rust.

De vloer rust.

Alles in het huis rust.

Het huis ademt zacht.

Het huis ademt langzaam.

Je ademt met het huis mee.

Jullie ademen samen.

Jullie rusten samen.

Buiten is de wereld stil.

De bomen slapen.

De vogels slapen.

De bloemen slapen.

Alles slaapt.

Alles rust.

De hele wereld rust.

De hele wereld slaapt.

En jij slaapt ook.

Jij rust ook.

De maan staat aan de hemel.

De maan geeft zacht licht.

Het licht van de maan is zacht.

Het licht van de maan is goed.

Het licht komt door het raam.

Het licht valt op de vloer.

Het licht is zilver.

Het licht is mooi.

Het licht is vredig.

Je voelt de warmte nog steeds.

De warmte van het vuur.

De warmte van de deken, de warmte van het bed, de warmte omhult je, de warmte houdt je vast, de warmte geeft je rust, de warmte geeft je vrede.

Je bent warm, je bent veilig, je bent goed Je lichaam is zwaar, je lichaam is ontspannen Je lichaam rust, elke spier rust, elke cel rust Je voeten rusten, je benen rusten Je rug rust, je schouders rusten je armen rusten, je handen rusten, je hoofd rust, alles rust.

Je adem is zacht, je adem is langzaam, je adem is rustig, in, in, zo langzaam, zo zacht, zo goed.

Je adem brengt rust, je adem brengt vrede, Je adem brengt slaap De stilte is overal De stilte is in het huis De stilte is in de kamer De stilte is in jou De stilte is goed De stilte is vriendelijk De stilte is zacht Je bent in de stilte Je bent een deel van de stilte De stilte is een deel van jou Misschien hoor je nog kleine geluiden.

Een zacht kraken van het hout.

Een zachte wind buiten.

Deze geluiden zijn goed.

Deze geluiden zijn vriendelijk.

Deze geluiden horen bij de nacht.

Deze geluiden horen bij het huis.

Deze geluiden maken je nog rustiger.

Deze geluiden brengen je dieper in de slaap.

Het bed houdt je vast.

Het bed draagt je.

Het bed is zacht.

Het bed is goed.

Je zinkt in het bed.

Je zinkt dieper.

Je zinkt steeds dieper.

Het bed neemt je op.

Het bed geeft je rust.

Het bed geeft je vrede.

De deken ligt over je heen.

De deken is warm.

De deken is zacht.

De deken beschermt je.

De deken houdt je veilig.

De deken is als een omhelzing.

Een zachte omhelzing.

Een warme omhelzing.

Een goede omhelzing.

Je ogen zijn gesloten.

Je ogen zijn zwaar.

Je ogen rusten.

Achter je ogen is duisternis.

Zachte duisternis.

Vriendelijke duisternis.

Goede duisternis.

De duisternis is rustig.

De duisternis is veilig.

De duisternis brengt slaap.

Je gedachten worden langzamer.

Je gedachten worden zachter.

Je gedachten worden minder.

Misschien is er nog een gedachte.

Dan is de gedachte weg.

Misschien komt er nog een gedachte.

Dan gaat de gedachte weer.

De gedachten komen, de gedachten gaan.

Ze blijven niet.

Ze drijven voorbij.

Als wolken aan de hemel.

Als bladeren op het water.

Je bent hier.

Je bent nu.

Je bent in dit moment.

Dit moment is goed.

Dit moment is veilig.

Dit moment is vredig.

Er is niets anders.

Alleen dit moment.

Alleen deze rust.

Alleen deze vrede.

De nacht houdt je vast, de nacht draagt je.

Je drijft in de nacht, je zweeft in de nacht.

Je bent licht, je bent vrij, je bent rustig, je bent veilig.

Het vuur in de haard brandt nog steeds.

Het vuur is nu heel klein.

Het vuur is bijna uit.

Maar de warmte blijft.

De warmte blijft in de kamer.

De warmte blijft in de muren.

De warmte blijft in jou.

De warmte blijft de hele nacht.

Buiten staat de wind stil.

De lucht is stil.

De wereld is stil.

Alles wacht.

Alles rust.

Alles slaapt.

De nacht is diep.

De nacht is stil.

De nacht is goed.

Je hartslag is langzaam.

Je hartslag is rustig.

Je hartslag is zacht.

Je hart klopt rustig.

Je hart klopt langzaam.

Je hart klopt goed.

Elke hartslag brengt rust.

Elke hartslag brengt vrede.

Elke hartslag brengt slaap.

Je bent omgeven door veiligheid.

Je bent omgeven door warmte.

Je bent omgeven door liefde.

Het huis houdt je veilig.

De nacht houdt je veilig.

Alles houdt je veilig.

Je bent beschermd.

Je bent goed.

Je bent thuis.

De uren van de nacht gaan voorbij.

De uren gaan langzaam.

De uren zijn zacht.

Elk uur brengt diepere rust.

Elk uur brengt diepere vrede.

Elk uur brengt diepere slaap.

De nacht heeft tijd.

De nacht heeft alle tijd.

Er is geen haast.

Er is alleen, misschien droom je, misschien droom je zachte dromen, droom je goede dromen, de dromen komen, de dromen gaan, de dromen zijn zacht, de dromen zijn vriendelijk, de dromen zijn goed.

Of misschien droom je niet.

Misschien is er alleen rust, alleen stilte, alleen vrede.

Dat is ook goed.

Alles is goed.

EN

Je lichaam herstelt in de nacht.

Je lichaam rust en elke cel herstelt, elke spier herstelt.

Je lichaam wordt nieuw.

Je lichaam wordt fris.

Je lichaam wordt sterk.

De slaap geeft dit.

De rust geeft dit.

De nacht.

Je geest rust ook.

Je geest wordt stil.

Je geest wordt rustig.

De slaap geeft dit.

De nacht geeft de stilte.

Je geest herstelt.

Je geest wordt beschermd.

je.

De muren beschermen je.

Het dak beschermt je.

De deur beschermt je.

Het huis staat sterk.

Het huis staat vast.

Het huis houdt je veilig.

Het huis is je vriend.

Het huis is je thuis.

De aarde onder het huis is stil.

De aarde is vast.

De aarde draagt het huis.

Draagt jou.

Aarde is oud.

EN

Aarde is wijs.

EN

Op de aarde.

Je slaapt op de aarde.

Aarde houdt je vast.

De lucht om het huis is zacht.

De lucht is stil, geeft je leven, geeft je rust, geeft je vrede.

Alles werkt samen.

Het huis werkt samen voor jou.

Alles geeft je rust.

Alles geeft je vrede.

Alles geeft je veiligheid.

Je bent een deel van alles, alles is een deel van jou.

Je bent precies waar je moet zijn.

Je bent precies op het goede moment.

Alles is zoals het moet zijn.

Er is niets verkeerd.

Er is alleen goed.

Er is alleen rust.

Er is alleen vrede.

De nacht is lang.

Het is zacht.

Het is goed.

Je hebt de hele nacht om te rusten.

Je hebt de hele nacht om te slapen.

Er is geen haast.

Er zijn geen zorgen.

Er is alleen tijd.

Tijd om te rusten.

Tijd om te slapen.

Tijd om te herstellen.

Je zinkt dieper.

Je zinkt steeds dieper.

Je zinkt in de slaap.

Je zinkt in de rust.

Je zinkt in de vrede.

Je laat alles los.

Je laat alle spanning los.

Je laat alle zorgen los.

Je laat alles gaan.

Er is alleen dit.

Dit moment.

Deze rust.

Deze vrede.

Deze veiligheid.

Deze warmte.

Dit bed.

Deze nacht.

Dit is alles.

Dit is goed.

Je bent goed.

Je bent veilig, je bent geliefd, je bent thuis, je rust, je slaapt, alles is zoals het moet zijn, is goed, de nacht draagt je, de nacht brengt je slaap, de nacht brengt je rust, de nacht brengt je vrede, De nacht brengt je dromen, goede dromen, zachte, geen dromen, alleen rust, alleen stilte, alleen vrede, je bent er, je bent hier, je bent nu en dat is precies goed.

Precies zoals het moet zijn.

Je slaapt.

Je rust.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

De hele wereld rust.

En jij slaapt ook.

Jij rust ook.

Je bent een deel van de slapende wereld, van de rustende wereld.

Een deel van de vreedzame wereld.

Alles is stil, is zacht.

EN

Alles is goed.

EN

De nacht is diep.

De nacht is donker.

De nacht is vriendelijk.

De nacht is jouw vriend.

De nacht brengt je wat je nodig hebt.

Rust.

Vrede.

Slaap.

Herstel.

Zo zacht.

Zo langzaam.

Zo rustig.

Je adem is het enige geluid.

De enige beweging.

En zelfs dat wordt minder.

Wordt zachter, stiller.

Je wordt één met de nacht.

Je wordt één met de stilte, je wordt één met de rust, je wordt één met de vrede, je bent overal, je bent nergens, je bent hier in deze stilte.

In deze rust, in deze vrede, hier slaap je, hier rust je, hier ben je veilig, hier ben je thuis, hier ben je goed, het is goed, slaap zacht, rust goed.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze