Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

The Maple Syrup and the Sea

Het is zondagochtend.

De lucht is grijs.

Ik zit in mijn kleine keuken in Den Haag.

De regen tikt op het raam.

Tik, tik, tik.

Ik drink thee met melk.

Mijn handen zijn warm van de mok.

Mijn telefoon gaat.

Een bericht van mijn vriend Tom.

Tom woont in Canada.

Hij stuurt een foto.

Op de foto zie ik een fles.

De fles is vol met dikke, bruine siroop.

Esdoornsiroop.

Echt Canadees.

Tom schrijft: Ik heb iets voor jou.

Het is zoet.

Het komt uit Canada.

Ik denk aan jou.

Ik kijk naar de foto.

De siroop ziet er lekker uit.

Maar dan zie ik iets anders.

Achter de fles.

Op de achtergrond.

Ik zie water.

Blauw water.

Golven.

Het lijkt op de zee.

Maar het is niet de zee bij Den Haag.

Nee.

Het is een grote plas water.

Een meer.

Een groot meer in Canada.

Ik denk aan Nederland.

Aan de zee.

De zee is dichtbij.

Ik ruik de zee soms.

Zout.

Fris.

Maar deze siroop komt van ver.

Heel ver.

Over de oceaan.

Ik stuur een bericht terug.

Dank je wel Tom.

Maar ik heb een vraag.

Waarom stuur je een foto van een meer?

Tom antwoordt snel.

O, dat is geen meer.

Dat is de zee.

De Atlantische Oceaan.

Ik ben op vakantie.

In Nova Scotia.

Hier is het mooi.

De zee is wild.

De lucht is blauw.

De siroop is zoet.

Ik lach.

Ik zit in Den Haag.

De regen valt.

De wind waait.

En Tom zit aan de andere kant van de oceaan.

Met siroop en zee.

Ik kijk naar buiten.

De regen stopt.

De zon komt door de wolken.

Een beetje.

Ik zie een klein beetje blauw.

De lucht wordt lichter.

Ik denk aan de zee.

De zee bij Den Haag.

De golven.

Het zand.

De meeuwen.

Ik hoor de meeuwen in mijn hoofd.

Kèk, kèk, kèk.

Ik wil naar de zee.

Nu.

Ik pak mijn jas.

Ik trek mijn schoenen aan.

Ik loop naar buiten.

De straat is nat.

De lucht ruikt naar regen.

Naar natte bladeren.

Ik loop naar de tram.

De tram komt.

Ik stap in.

Ik zit bij het raam.

De tram rijdt naar Scheveningen.

Naar de zee.

In de tram denk ik aan Tom.

Aan de siroop.

Aan de zee.

Twee zeeën.

De ene zee is hier.

De andere zee is daar.

Bij Tom.

Met siroop.

Ik stap uit.

Ik ruik de zee.

Zout.

Sterk.

Ik hoor de golven.

Woesh, woesh.

Ik zie het strand.

Het zand is nat.

De lucht is grijs.

Maar de zee is mooi.

Altijd mooi.

Ik loop naar het water.

Ik voel de wind.

Koud.

Ik trek mijn jas dichter.

Ik kijk naar de horizon.

Ver weg zie ik schepen.

Kleine stipjes.

En daar, heel ver, is Canada.

Denk ik.

Met Tom.

Met siroop.

Ik glimlach.

Ik ben hier.

Tom is daar.

We zijn ver uit elkaar.

Maar de zee verbindt ons.

De zee is overal.

De zee is groot.

De zee is blauw.

De zee is wild.

De zee is mooi.

Ik blijf even staan.

Dan loop ik terug.

Naar huis.

Naar mijn thee.

Naar mijn telefoon.

Ik stuur een laatste bericht naar Tom.

Ik zie de zee.

De zee bij Den Haag.

Groetjes uit Nederland.

Tom stuurt een duim.

En een esdoornblad.

Rood.

Mooi.

Ik zet mijn telefoon neer.

Ik voel me rustig.

De zee is dichtbij.

Vandaag was een goede dag.

Tot de volgende.

Alle transcripten op dutchfluency.com slash transcripts.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze