Alle podcasts

De Slang in het Park

Hallo.

Ik ben Rick.

Ik vertel een verhaal.

Dit is Lisa.

Lisa is een vrouw.

Zij werkt in Breda.

Breda is een stad.

Lisa werkt in een park.

Het park is heel groot.

Het park is heel groen.

Lisa heeft een vriend.

De vriend heet Daan.

Daan is een man.

Daan werkt ook hier.

Zij werken in een kamer.

De kamer is klein.

De kamer heeft een raam.

Het raam is groot.

Zij zitten aan een tafel.

De tafel is bruin.

De tafel is van hout.

Op de tafel ligt geld.

Het geld is voor het park.

Lisa en Daan tellen het geld.

Lisa telt tien euro.

Zij telt nog tien euro.

Daan telt twintig euro.

Hij telt nog twintig euro.

Zij hebben heel veel geld.

Het is goed werk.

Zij doen dit elke dag.

Lisa kijkt naar Daan.

Zij zegt: "Ik heb honger." Daan kijkt naar Lisa.

Hij zegt: "Ik ook." Zij eten een appel.

De appel is rood.

De appel is heel zoet.

Lisa eet de appel.

Daan eet ook een appel.

Zij drinken ook melk.

De melk is koud.

De melk is wit.

Dan horen zij iets.

Het is een geluid.

Het geluid is raar.

Lisa kijkt uit het raam.

Zij ziet het gras.

Het gras is groen.

Zij ziet een dier.

Het dier is lang.

Het dier is groen.

Het is een slang.

De slang ligt in het gras.

De slang slaapt niet.

De slang kijkt rond.

Lisa roept: "Kijk Daan!" "Ik zie een slang!" "De slang is in het gras." Daan loopt naar het raam.

Hij kijkt ook door het raam.

Hij ziet de slang.

De slang is heel groot.

Daan is niet bang.

Lisa is ook niet bang.

Maar de slang is niet goed hier.

Het park is voor mensen.

Mensen lopen in het park.

Het park is voor honden.

Honden spelen in het park.

Een slang is voor het bos.

Daan pakt zijn telefoon.

De telefoon is zwart.

Hij belt een man.

De man werkt met dieren.

De man heet Lars.

Lars komt naar het park.

Hij rijdt in een auto.

De auto is geel.

De auto is groot.

Lars stapt uit de auto.

Hij loopt naar het gras.

Hij ziet de slang.

Lars heeft een doos.

De doos is groot.

De doos is van hout.

Lars pakt de slang.

Hij doet de slang in de doos.

De slang is nu in de doos.

De slang slaapt nu.

Lars zegt: "Dank jullie wel." "De slang gaat naar het bos." "Het bos is beter voor de slang." Lars gaat weer weg.

Hij loopt naar de auto.

Hij rijdt in de auto.

De auto rijdt weg.

Lisa en Daan zijn blij.

Zij gaan weer werken.

Zij lopen naar de kamer.

De kamer is nog steeds klein.

Zij zitten aan de tafel.

Zij tellen weer geld.

Lisa telt vijf euro.

Daan telt tien euro.

Het geld is voor het park.

Het park is nu goed.

Mensen lopen in het park.

Honden spelen in het park.

Kinderen spelen in het park.

Lisa drinkt wat sap.

Het sap is koud.

Het sap is geel.

Daan eet nog een appel.

De dag is heel mooi.

De zon schijnt in het park.

De lucht is heel blauw.

Zij werken tot de avond.

Dan gaan zij naar huis.

Lisa fietst naar huis.

De fiets is rood.

De fiets is snel.

Daan loopt naar huis.

Hij woont in de stad.

De stad is dichtbij.

Het is een goede dag.

Lisa is blij.

Daan is blij.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze