

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben een man. Ik heb kinderen. Wij gaan op de fiets. Wij gaan naar een rotonde. Wij stoppen voor de ha je tanden.
Een auto komt. De auto komt van de rotonde. Wij stoppen. Wij stoppen omdat de auto komt.
De bestuurder van de auto is een vrouw. De vrouw stopt met de auto.
Zij stopt voor ons. Zij wil ons voor laten gaan. Dat is niet goed. Dat is verkeerd.
Achter de auto is een motor. De motor rijdt snel. De motor verwacht niet dat de auto stopt.
De motor klappt op de auto. Dat is gevaarlijk. Ik zeg stop daarmee. Ik zeg geef geen voorrang als dat niet hoort.
Ik sta met mijn kinderen bij de ha je tanden. Ik leer mijn kinderen dat je moet stoppen bij de ha je tanden.
Wij wachten netjes, maar dan mogen we toch weer doorrijden. Dat komt omdat iemand denkt
vriendelijk te zijn. Maar dat is niet goed. Dat zorgt voor verwaring. Dat zorgt voor irritatie. Dat
zorgt voor gevaar. Ik ben boos. Ik wil dat niet meer. Ik wil veilig zijn. Ik wil dat mijn kinderen
veilig zijn. Ik zeg luister naar de regels. Ik zeg rijd veilig. Ik zeg was voorzichtig. Ik zeg
denk aan de kinderen. Het is zondag. Het is een fijne dag. Maar ik ben boos. Ik ben boos omdat het gevaarlijk
is. Ik wil dat het verandert. Ik wil dat het veilig is. Ik zeg fijne zondag. Maar ik ben nog steeds boos.
Ik wil dat het verandert. Ik wil dat het veilig is. Voor mij. Voor mijn kinderen. Voor iedereen.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze