

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Rick.
Ik woon in Den Haag.
Vandaag ga ik naar Grolloo.
Grolloo is een klein dorp.
Het dorp is stil.
De lucht is grijs.
Ik hoor geen auto's.
Het is rustig.
Ik rijd in een grote auto.
De auto is wit.
De auto is oud.
De auto ruikt een beetje naar benzine.
Ik stop bij een veld.
Het veld is nat.
Het gras is groen.
Het gras is zacht.
Ik loop naar het water.
Het water is koud.
Het water maakt een zacht geluid.
Het water ruikt fris.
Ik kijk naar de lucht.
De lucht is grijs.
De lucht is donker.
Ik denk aan thuis.
Ik eet een boterham.
De boterham is lekker.
De boterham heeft kaas.
De kaas is geel.
De boterham is zacht.
Ik drink koffie.
De koffie is warm.
De koffie ruikt goed.
De koffie smaakt sterk.
Dan ga ik weer rijden.
De auto rijdt langzaam.
Het zand is zacht.
Het zand is nat.
Het zand maakt een geluid.
De auto stopt.
De auto gaat niet verder.
Ik stap uit.
Ik kijk naar de auto.
De auto staat in het zand.
Het zand is nat.
Het zand is diep.
Ik ben niet blij.
Ik zeg: “O nee.” Ik loop om de auto.
Ik zie een grote steen.
De steen is grijs.
De steen is rond.
De steen is nat.
Ik til de steen.
De steen is zwaar.
Mijn handen doen pijn.
Ik leg de steen onder de auto.
De auto schudt.
De auto maakt een geluid.
Ik kijk naar de banden.
De banden zijn nat.
De banden zijn glad.
Ik pak een touw.
Het touw is lang.
Het touw is dik.
Het touw is droog.
Ik maak het touw vast aan de auto.
Ik trek aan het touw.
De auto beweegt niet.
Ik ben moe.
Mijn armen zijn moe.
Ik ga zitten.
Ik zit op het gras.
Het gras is nat.
Het gras is koud.
Ik eet een appel.
De appel is rood.
De appel is zoet.
De appel is knapperig.
Ik denk: “Wat nu?” Ik kijk naar de lucht.
De lucht is nog grijs.
Dan zie ik een man.
De man loopt naar mij.
De man is groot.
De man heeft een blauwe jas.
De man zegt: “Hallo.” Ik zeg: “Hallo.” De man zegt: “Heb je problemen?” Ik zeg: “Ja, de auto zit in het zand.” De man lacht.
De man lacht zacht.
De man zegt: “Ik help je.” De man heeft een grote auto.
De auto is blauw.
De auto is sterk.
De auto is schoon.
De man maakt een touw vast.
De man trekt.
De auto beweegt.
De auto is vrij.
Ik ben blij.
Ik zeg: “Dank je wel.” De man zegt: “Graag gedaan.” De man loopt weg.
Ik rijd naar huis.
Ik rijd langzaam.
Ik ben moe.
Ik drink water.
Het water is koud.
Het water is fris.
Het water smaakt goed.
Ik eet een koek.
De koek is zoet.
De koek is lekker.
De koek is knapperig.
Ik ben blij.
De auto is schoon.
Ik kijk naar de auto.
De auto is wit.
De auto is weer mooi.
Ik lach.
Ik denk: “Het was een rare dag.
Maar ik ben blij.
De man hielp mij.
De dag is goed.
Ik denk aan de man.
De man was vriendelijk.
Het was een mooie dag.” Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze