
Ik moet van mijn werk 30 minuten van te voren aanwezig zijn....

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man. Hij heeft Pieter. Pieter heeft een werk. Hij werkt in de stad.
Pieter vindt zijn werk goed. Hij werkt elke dag. Hij gaat met de auto naar zijn werk.
Op een dag zegt zijn bas iets. De bas zegt, Pieter, jij moet nu 30 minuten vroeg op je werk zijn.
Pieter is verbast. Hij vraagt, is dat normaal? De bas zegt, ja, dat is normaal.
Maar Pieter wil dat niet. Hij wil niet 30 minuten vroeg komen. Hij wil op tijd komen. Hij wil niet vroeg komen.
Hij wil niet vroeg op staan. Hij wil niet vroeg de auto nemen. Pieter gaat naar huis. Hij denkt na.
Wat kan hij zeggen? Wat kan hij doen? Hij wil professioneel zijn. Maar hij wil ook voor zichzelf op komen.
Hij praat met een vriend. De vriend heet Jan. Jan is slim. Jan heeft ook een werk. Jan zegt.
Pieter, jij moet met je baas praten. Jij moet zeggen wat jij wil. Dat is belangrijk.
Pieter luistert naar Jan. Jan heeft gelijk. Pieter moet praten. Pieter moet zeggen wat hij wil. Dat is belangrijk.
De volgende dag gaat Pieter naar zijn werk. Hij ziet zijn bas. Hij zegt, bas, ik wil praten.
De baas zegt, oké Pieter, wat wil je zeggen? Pieter zegt, ik wil niet 30 minuten vroeg op mijn werk zijn.
Dat is niet goed voor mij. Ik wil op tijd komen. Dat is beter. De baas luistert. De baas zegt, oké Pieter, jij mag op tijd komen.
Pieter is blij. Hij heeft gepraat. Hij heeft gezegd wat hij wil. Dat is goed. Pieter kan nu op tijd komen.
Dat is beter. Pieter gaat naar huis. Hij is blij. Hij is te vreden. Hij heeft voor zichzelf opgekomen. Dat is belangrijk.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze