

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik heet Tim.
Ik woon in een stad.
De stad heeft veel bruggen.
De bruggen zijn oud.
Papa zegt: “De bruggen zijn niet sterk.” Ik kijk naar de brug.
De brug is van steen.
De steen is grijs en ruw.
Ik zie een barst.
De barst is klein.
De barst is niet groot.
Papa zegt: “De stad moet werken.” Ik vraag: “Waar zijn de werkers?” Papa zegt: “Ze werken aan de weg.” Wij lopen over de brug.
De brug maakt een geluid.
Het geluid is niet mooi.
Het geluid is als een kraak.
Papa zegt: “De brug heeft zorg nodig.” Ik zie een man.
De man kijkt naar de brug.
Hij heeft een boek.
Het boek is bruin.
Hij schrijft in het boek.
Papa zegt: “Die man is een controleur.” De controleur zegt: “Deze brug is niet veilig.” Papa zegt: “Is de brug kapot?” De controleur zegt: “Nee, maar de brug is oud.
Wij hebben veel werk.” Ik kijk naar de rivier.
De rivier is breed.
Het water is blauw en koud.
Er is een boot op de rivier.
De boot is rood.
De boot is klein.
Ik zeg: “De boot is mooi.” Papa lacht.
Wij lopen verder.
Wij zien nog een brug.
Deze brug is van hout.
Het hout is grijs.
Het hout is oud.
Papa zegt: “Deze brug is ook oud.” Ik zie een gat in het hout.
Het gat is rond.
Ik zeg: “Papa, een gat!” Papa zegt: “Ja, de stad moet dit maken.” De controleur loopt naar ons.
Hij zegt: “Wij hebben een plan.” Papa zegt: “Een plan?” De controleur zegt: “Ja, wij maken alle bruggen sterk.” Ik vraag: “Wanneer?” De controleur zegt: “Over een jaar.” Papa zegt: “Een jaar is lang.” De controleur zegt: “Ja, maar wij werken elke dag.” Wij lopen naar het park.
In het park is een kleine brug.
De brug is voor mensen.
De brug is van hout, maar het hout is nieuw.
Ik loop over de kleine brug.
De brug is goed.
Ik zeg: “Deze brug is leuk!” Papa zegt: “Ja, deze brug is nieuw.” Wij zitten op een bank.
De bank is groen.
Ik eet een broodje.
Het broodje is lekker.
Papa drinkt koffie.
De koffie is warm.
De zon schijnt.
Het is warm.
Ik zie een hond.
De hond is wit en bruin.
De hond loopt over de brug.
De hond is blij.
Ik zeg: “Kijk papa, de hond!” Papa zegt: “De hond is niet bang.” Ik lach.
Papa zegt: “Bruggen zijn belangrijk.
Wij hebben bruggen nodig.” Ik zeg: “Ja, voor de auto en de fiets.” Papa zegt: “En voor ons.” Wij lopen naar huis.
Wij zien de oude brug weer.
De controleur is er nog.
Hij praat met een werker.
De werker heeft een helm.
De helm is geel.
De werker zegt: “Wij starten morgen.” De controleur zegt: “Mooi.” Papa zegt tegen mij: “Zie je, Tim.
De stad werkt.” Ik zeg: “Ja, papa.
De brug is veilig.” Papa lacht.
Wij zijn thuis.
Mama maakt eten.
Het eten ruikt lekker.
Het is soep.
Ik vertel over de brug.
Mama zegt: “Bruggen zijn belangrijk.” Ik zeg: “Ja, en de controleur is aardig.” Mama lacht.
Wij eten.
Ik ben moe.
Ik ga slapen.
Ik denk aan de bruggen.
Ik denk aan de oude brug en de nieuwe brug.
Ik denk: “Bruggen zijn sterk.” Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze