

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo.
Ik ben Rick.
Ik ben in Haarlem.
Het is ochtend.
De lucht is blauw.
De zon is daar.
Ik zie een man.
De man heet Tom.
Ik zie een vrouw.
De vrouw heet Sophie.
Tom en Sophie zijn blij.
Ze zijn op het station.
Het station is heel groot.
Ze wachten op de trein.
De trein is nieuw.
De trein gaat naar Parijs.
Parijs is een grote stad.
Parijs is in een ander land.
Het land is mooi.
Daar komt de trein.
De trein is heel lang.
De trein is geel.
De trein is ook blauw.
Tom kijkt naar de trein.
Sophie kijkt ook.
"Kijk," zegt Tom.
"De trein is mooi." Sophie zegt: "Ja, heel mooi." Ze gaan in de trein.
Ze zoeken een stoel.
Ze zien twee stoelen.
De stoelen zijn bij het raam.
Tom zit op een stoel.
Sophie zit ook.
Ze kijken uit het raam.
Ze zien de stad.
Ze zien de straat.
Ze zien een fiets.
Ze zien een auto.
Ze zien een bus.
De trein gaat rijden.
De trein gaat snel.
Tom en Sophie gaan naar Parijs.
Het is zeven uur in de trein.
Zeven uur is heel lang.
Maar ze zijn blij.
Ze hebben veel tijd.
Ze kijken door het raam.
Ze zien een huis.
Ze zien nog een huis.
Ze zien een boom.
Ze zien nog een boom.
Ze zien een koe.
De koe is zwart.
De koe is wit.
Ze zien een paard.
Het paard is bruin.
Tom heeft honger.
Hij wil eten.
Hij heeft een tas.
De tas is rood.
In de tas zit brood.
Het is brood met kaas.
Tom eet het brood.
Sophie heeft ook honger.
Zij eet ook brood.
Ze drinken koffie.
De koffie is warm.
De koffie is lekker.
Ze drinken ook melk.
De melk is koud.
Het is nu middag.
De trein rijdt nog steeds.
Ze zijn nog niet in Parijs.
Tom leest een boek.
Het boek is dik.
Het boek is rood.
Sophie kijkt op haar telefoon.
Ze ziet een foto.
De foto is van een hond.
De hond is klein.
De hond is bruin.
"Kijk," zegt Sophie.
Tom kijkt naar de foto.
"De hond is leuk," zegt Tom.
Dan gaat Sophie slapen.
Ze is moe.
Haar ogen zijn dicht.
Tom leest zijn boek.
Hij leest en leest.
De trein gaat heel snel.
Tom kijkt weer door het raam.
Hij ziet een andere stad.
Hij ziet een groot park.
Hij ziet een kind.
Het kind speelt.
Het kind rent.
Het is nu avond.
Zeven uur zijn voorbij.
De trein stopt.
Ze zijn in Parijs.
Parijs is heel groot.
Parijs is heel mooi.
Sophie is weer wakker.
Ze kijkt weer.
"Zijn we in Parijs?" vraagt ze.
"Ja," zegt Tom.
"We zijn in Parijs." Ze gaan uit de trein.
Ze lopen op het station.
Het station in Parijs is groot.
Ze zien veel mensen.
Ze horen veel mensen.
De mensen praten.
De mensen lopen.
Tom en Sophie lopen naar de straat.
Ze zien een grote toren.
Het is een mooie toren.
De toren is heel hoog.
Ze zijn heel blij.
Ze gaan nu eten.
Ze eten in Parijs.
Ze eten in een restaurant.
Het eten is heel lekker.
Het is een goede dag.
De dag is heel mooi.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze