Try the apps free
Login
Play me!
Alle podcasts

De Vriend in het Vliegtuig

Tom is een man.

Tom woont ver weg.

Hij woont bij de zee.

Het huis van Tom is klein.

Het huis is wit.

Het huis heeft een rode deur.

Tom is in het huis.

Het is warm vandaag.

De zon is in de lucht.

De lucht is blauw.

Tom is warm.

Tom is heel warm.

Hij is niet goed.

Tom is ziek.

Hij ligt in bed.

Het bed is groot.

Tom slaapt veel.

Hij slaapt in de ochtend.

Hij slaapt in de middag.

Tom drinkt water.

Het water is koud.

Tom drinkt veel water.

Maar Tom eet niet.

Hij heeft geen honger.

Tom heeft hulp nodig.

Hij pakt de telefoon.

De telefoon is zwart.

Hij belt een man.

De man heet Ben.

Ben is een vriend.

Ben is in een ander land.

Ben is in de stad.

De stad is groot.

Ben hoort de telefoon.

Ben zegt.

Hallo met Ben.

Tom zegt.

Hallo Ben.

Tom zegt.

Ik ben ziek.

Tom zegt.

Ik ben heel warm.

Tom zegt.

Ik heb hulp nodig.

Ben zegt.

Ik kom.

Ben zegt.

Ik kom nu.

Ben gaat naar het vliegtuig.

Het vliegtuig is heel groot.

Het vliegtuig is wit.

Ben gaat in het vliegtuig.

Het vliegtuig gaat in de lucht.

Het vliegtuig vliegt hoog.

Het vliegt boven de stad.

Het vliegt boven het land.

Het vliegt boven de zee.

De zee is heel groot.

De zee is blauw.

Ben kijkt uit het raam.

Het raam is klein.

Ben ziet de zee.

Ben ziet het huis van Tom.

Het huis is heel klein.

Het vliegtuig stopt niet.

Het vliegtuig vliegt door.

Ben moet uit het vliegtuig.

Ben doet de deur open.

De wind is hard.

Ben springt uit het vliegtuig.

Ben valt naar beneden.

Hij valt in de lucht.

Ben heeft een grote doek.

De doek is rood.

De doek gaat open.

Ben gaat nu niet snel.

Ben gaat goed naar beneden.

Ben komt op de grond.

Hij is bij het huis.

Hij is bij het witte huis.

Ben loopt naar de rode deur.

Ben klopt op de deur.

Klop klop klop.

Tom hoort Ben.

Tom ligt in bed.

Tom zegt.

Kom binnen.

Ben doet de deur open.

Ben loopt in het huis.

Ben ziet Tom.

Tom is rood.

Tom is heel warm.

Ben heeft een tas.

De tas is groot.

De tas is blauw.

Ben doet de tas open.

In de tas zit water.

In de tas zit eten.

In de tas zit een pil.

Ben geeft water aan Tom.

Tom drinkt het water.

Ben geeft de pil aan Tom.

Tom neemt de pil.

Tom drinkt meer water.

Tom slaapt weer.

Ben wacht in het huis.

Ben zit op een stoel.

De stoel is van hout.

Ben kijkt naar buiten.

Hij ziet de zee.

Hij ziet de zon.

Het is avond.

De zon gaat naar beneden.

De lucht is rood.

De lucht is geel.

Tom wordt wakker.

Tom kijkt naar Ben.

Tom is niet meer warm.

Tom is niet meer rood.

Tom voelt zich goed.

Tom zegt.

Dankjewel.

Tom zegt.

Jij bent een goede vriend.

Ben lacht.

Ben is blij.

Ben zegt.

Graag gedaan.

Ben zegt.

Ik ga weer weg.

Ben loopt naar de deur.

Ben gaat naar buiten.

Ben gaat naar een boot.

De boot is op de zee.

De boot is klein.

Ben gaat in de boot.

Ben gaat naar huis.

Tom is weer alleen.

Maar Tom is blij.

Tom is niet meer ziek.

Tom kijkt naar de zee.

Tom kijkt naar de boot.

Tot de volgende keer.

Bedankt voor het luisteren naar Dutch Fluency.

Op Dutchfluency.com vind je de transcript

en oefeningen.

Spreek Nederlandse zelfs als je stottert.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze