Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De Laatste Vraag

Het is donderdag.

De lucht is grijs boven Den Haag.

In een groot gebouw zit een groep mensen.

Ze praten al heel lang.

Vandaag is de laatste dag.

Na vandaag stopt het praten.

De groep heet een groep van vragen.

Mensen stellen vragen aan de minister.

De minister geeft antwoorden.

Dit duurt al 150 uur.

Dat is heel lang.

Bijna zeven dagen zonder slaap.

Maar vandaag is het klaar.

In de hal staat een man.

Hij heet Daan.

Daan is 34 jaar.

Hij werkt in het gebouw.

Hij doet de deuren open en dicht.

Hij brengt water en koffie.

Daan draagt een blauwe jas.

Zijn schoenen zijn zwart.

Hij loopt veel.

Vandaag is zijn laatste werkdag voor deze groep.

Hij is moe.

Zijn voeten doen pijn.

Maar hij is ook blij.

Straks gaat iedereen naar huis.

Daan kijkt naar de klok.

Het is bijna vijf uur.

De mensen in de grote zaal praten nog.

Daan hoort stemmen door de muur.

Sommige stemmen zijn hard.

Andere stemmen zijn zacht.

Hij hoort iemand zeggen: 'We moeten nu stoppen.' Dan hoort hij een andere stem: 'Nee, nog een vraag.' Daan zucht niet.

Hij wacht gewoon.

Naast Daan staat een vrouw.

Ze heet Fatima.

Fatima is 28 jaar.

Ze werkt ook in het gebouw.

Ze draagt een rode jurk.

Ze heeft een map in haar hand.

'Daan,' zegt Fatima.

'Is het bijna klaar?' Daan knikt.

'Ja,' zegt hij.

'Nog een paar minuten.' Fatima lacht.

'Eindelijk,' zegt ze.

'Ik wil naar huis.

Mijn kinderen wachten op me.' Daan zegt: 'Ik ook.

Mijn hond wacht op me.' Fatima lacht weer.

'Wat fijn,' zegt ze.

Dan gaat de deur van de grote zaal open.

Een man komt naar buiten.

Hij is de baas van de groep.

Hij ziet er moe uit.

Zijn haar zit in de war.

Hij draagt een bril.

Hij zegt: 'Het is klaar.

We stoppen.' Daan en Fatima kijken elkaar aan.

Ze zeggen niets.

Maar ze denken hetzelfde: eindelijk.

De mensen in de zaal komen naar buiten.

Ze praten zacht.

Sommigen lachen.

Anderen kijken serieus.

Een vrouw zegt: 'Wat een lange dag.' Een man zegt: 'Wat een lange week.' Daan geeft iedereen een flesje water.

Fatima geeft koffie.

De mensen zeggen 'dank je' en 'tot morgen'.

Langzaam wordt het stil in de hal.

Daan loopt naar de grote zaal.

Hij kijkt naar binnen.

De stoelen zijn leeg.

De tafels zijn vol met papieren.

Er liggen pennen en kopjes.

Op de grond ligt een papier.

Daan raapt het op.

Hij leest: 'We moeten leren van deze tijd.' Daan denkt: dat is waar.

We moeten leren.

Maar nu even niet.

Nu is het tijd om naar huis te gaan.

Fatima komt naast hem staan.

'Wat heb je daar?' vraagt ze.

Daan laat het papier zien.

Fatima leest het.

'Ja,' zegt ze.

'Dat is belangrijk.

Maar ik ben te moe om te leren.' Daan lacht.

'Ik ook,' zegt hij.

'Morgen misschien.' Fatima knikt.

'Morgen,' zegt ze.

'Dan gaan we leren.

Maar nu ga ik naar mijn kinderen.' Daan pakt zijn jas.

Hij doet de lichten uit.

De hal wordt donker.

Alleen een klein lampje brandt nog.

Daan en Fatima lopen naar de uitgang.

Buiten is het koud.

De lucht is nu donkerblauw.

Er zijn sterren.

Daan voelt de kou op zijn gezicht.

Hij voelt zich licht.

De lange dag is voorbij.

Hij zegt: 'Tot morgen, Fatima.' Fatima zegt: 'Tot morgen, Daan.' Ze lopen weg.

De een naar links, de ander naar rechts.

Daan loopt naar huis.

Hij denkt aan de dag.

Hij denkt aan de vragen.

Hij denkt aan de antwoorden.

Hij denkt aan het papier.

'We moeten leren van deze tijd.' Ja, denkt Daan.

Dat is waar.

Maar eerst: slapen.

Hij glimlacht niet.

Hij is te moe.

Maar binnen in hem voelt hij iets warms.

Het is klaar.

Morgen is een nieuwe dag.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze