

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man.
De man heeft case.
Case heeft een computer.
Hij zit vaak op de computer.
Op de computer kijk hij naar een video.
Het is een video van een auto.
De auto is van hem.
Hij heeft de auto verkocht.
Case is blij.
Hij heeft de auto goed verkocht.
Hij ziet de video online.
De video is van de verkoop.
Case ziet zichzelf in de video.
Hij lacht.
Hij vind het leuk.
Case heeft een vriend.
De vriend het Hans.
Hans heeft ook een computer.
Hans ziet de video ook.
Hij ziet case in de video.
Hans lacht ook.
Hij vind het ook leuk.
Case en Hans zijn niet de enige.
Veel mensen zien de video.
Ze kennen case.
Ze lachen allemaal.
Ze vinden het ook leuk.
Case staat online.
Hij is blij.
Hij vind het leuk.
Maar dan ziet Case een andere video.
Het is een video van een fiets.
De fiets is van hem.
Hij heeft de fiets verkocht.
Maar de video is niet leuk.
De fiets is stuk.
Case is niet blij.
Hij ziet de video.
Hij ziet de fiets.
De fiets is stuk.
Hij ziet zichzelf.
Hij lacht niet.
Hij vind het niet leuk.
Hans ziet de video ook.
Hij ziet case.
Hij ziet de fiets.
De fiets is stuk.
Hans lacht niet.
Hij vind het niet leuk.
veel mensen zien de video ze kennen case ze lachen niet ze vinden het niet leuk
case staat online hij is niet blij hij vindt het niet leuk case leert en less online
zijn is niet altijd leuk soms is het goed soms is het slecht case weet dat nu
case leert van de video case leert van de fiets
case leert van de auto case leert van zichzelf
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze