

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hassan is een man.
Hij komt uit Syrië.
Hij woont nu in Twente.
Hassan heeft een vrouw.
Zij heet Fatima.
Hassan en Fatima hebben twee kinderen.
Het kind is een zoon.
Hij heet Ali.
Het andere kind is een dochter.
Zij heet Layla.
Het gezin woont in een huis.
Het huis is klein.
Het huis is wit.
Het huis heeft een tuin.
De tuin is groen.
Hassan werkt in een winkel.
Hij verkoopt brood.
Het brood is lekker.
De winkel ruikt naar vers brood.
De geur van brood is warm en zoet.
Fatima werkt thuis.
Zij zorgt voor de kinderen.
Ali speelt met een bal.
De bal is rood.
Hij gooit de bal hoog.
De bal maakt een zacht geluid.
Het geluid is plof plof.
Layla leest een boek.
Het boek is leuk.
Zij leest over een kat.
De kat is oranje.
De kat heeft groene ogen.
Het is een gewone dag.
De zon schijnt.
De lucht is blauw.
De zon is warm op het gras.
Hassan komt thuis.
Hij loopt naar de tuin.
Hij ziet de tuin.
De tuin is niet mooi.
De planten zijn kapot.
De bloemen zijn weg.
Het hek is stuk.
Het hek ligt op de grond.
Het gras is vies.
Er is modder.
Hassan is verdrietig.
Hij zegt: “Wat is er gebeurd?” Zijn stem is zacht.
Zijn handen trillen een beetje.
Fatima komt naar buiten.
Zij is ook verdrietig.
Haar ogen zijn nat.
Zij zegt: “Mensen doen dit.
Zij doen dit elke keer.” Haar stem is stil.
Dit is de vierde keer.
Hassan herinnert zich de eerste keer.
De tuin was toen ook kapot.
Hij voelt zich moe.
Hij denkt aan de eerste keer.
Het was koud.
De wind was hard.
Nu is het weer zo.
De buren komen.
De buren zijn aardig.
Zij lopen naar de tuin.
Een buurman zegt: “Wij helpen.” Een buurvrouw zegt: “Samen maken wij het mooi.” De buren hebben gereedschap.
Zij maken de tuin mooi.
Zij planten nieuwe bloemen.
De bloemen zijn rood en geel.
De bloemen ruiken lekker.
De geur is fris.
Zij zetten een nieuw hek.
Het hek is stevig.
Het hek is wit.
Het gras is weer groen.
Ali speelt weer.
Hij gooit de bal.
De bal rolt over het gras.
De bal maakt een zacht geluid.
Layla leest weer.
Zij leest over een hond.
De hond is bruin.
De hond is groot.
Hassan is blij.
Hij zegt: “Dank jullie wel.” De buren lachen.
Zij zeggen: “Wij zijn samen.” Het gezin eet samen.
Zij eten brood en fruit.
Het brood is warm.
Het fruit is zoet.
De appels zijn rood.
De druiven zijn groen.
De dag is weer mooi.
Hassan kijkt naar de lucht.
De lucht is blauw.
Hij denkt: “Wij zijn veilig.
Wij zijn thuis.
De buren zijn goed.
De tuin is weer mooi.” Hij voelt zich rustig.
De zon is warm.
De dag is klaar.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze