Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Twee Mannen in Moskou

Ik ben Rick.

Ik woon in Den Haag.

Vandaag lees ik de krant.

Ik zie een foto.

Twee mannen staan bij een groot huis.

Het huis is in Moskou.

De mannen heten Witkoff en Kushner.

Zij praten met andere mannen.

Witkoff heeft een zwarte jas.

Kushner heeft een blauwe das.

Zij kijken serieus.

Ik zeg tegen mijn kat: "Kijk, die mannen zijn ver weg." Mijn kat slaapt.

Hij zegt niets.

Ik drink koffie.

De koffie is warm.

Ik denk aan mijn werk.

Ik werk op een school.

Ik geef les aan kinderen.

De kinderen leren Nederlands.

Vandaag heb ik een les.

De les gaat over reizen.

Ik vertel over Moskou.

Moskou is een grote stad.

Daar is veel sneeuw.

De kinderen vragen: "Wie is die man?" Ik zeg: "Die man heet Witkoff.

Hij komt uit Amerika." Een kind zegt: "Waarom is hij in Moskou?" Ik zeg: "Hij praat met de baas van Rusland." Het kind zegt: "Praat hij over eten?" Ik lach.

Ik zeg: "Nee, hij praat over grote dingen." De kinderen eten hun brood.

Ik drink nog koffie.

Na de les ga ik naar huis.

Ik loop door de straat.

De straat is nat.

Het regent.

Ik zie een hond.

De hond is wit.

Hij loopt met een vrouw.

De vrouw heeft een rode paraplu.

Ik zeg: "Goedemiddag." De vrouw lacht.

Ik kom thuis.

Mijn kat zit op de bank.

Ik geef hem eten.

De kat eet snel.

Ik kijk naar de televisie.

Ik zie het nieuws.

Witkoff en Kushner zijn nog in Moskou.

Zij praten lang.

De mannen drinken thee.

De thee is heet.

Witkoff zegt: "Wij hebben een goed gesprek." Kushner knikt.

De baas van Rusland lacht niet.

Hij kijkt naar de ramen.

Buiten valt sneeuw.

De sneeuw is wit.

De stad is stil.

Ik denk: "Wat doen die mannen?" Mijn kat komt bij mij.

Hij wil aandacht.

Ik aai zijn kop.

De kat spint.

Ik zeg: "Jij bent een goede kat." De kat kijkt naar de televisie.

Hij ziet de mannen.

De kat gaapt.

Ik lach.

Ik zeg: "Jij vindt het niet interessant." De kat loopt weg.

Ik blijf kijken.

De mannen praten over geld.

Zij praten over huizen.

Zij praten over mensen.

Het is een lange dag.

Ik word moe.

Ik zet de televisie uit.

Ik ga naar de keuken.

Ik maak eten.

Ik eet soep.

De soep is lekker.

Ik denk aan de kinderen.

Zij zijn grappig.

Een kind zei: "Moskou is koud." Ja, dat is waar.

Ik eet mijn soep.

Mijn kat slaapt op de vloer.

Na het eten lees ik een boek.

Het boek gaat over een man.

De man reist veel.

Hij ziet veel steden.

Hij komt ook in Moskou.

De man drinkt thee met een vriend.

De vriend woont in Moskou.

De man zegt: "De stad is groot." De vriend zegt: "Ja, en koud." Zij lachen.

Ik lees verder.

Het boek is goed.

Ik lees een uur.

Dan ben ik moe.

Ik doe het licht uit.

Ik ga naar bed.

Mijn kat slaapt naast mij.

Ik denk aan de mannen in Moskou.

Ik hoop dat zij goed praten.

Ik hoop dat de mensen blij zijn.

Ik sluit mijn ogen.

Ik slaap.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze