Alle podcasts

Een Blauwe Jas in Zeist

Ik ben Rick.

Ik werk op school in Den Haag.

Vandaag ga ik naar Zeist.

De zon is geel.

De straat is nat.

Mijn jas is blauw.

Ik loop naar de bus.

De bus is ook blauw.

Dat is veel blauw.

Ik lach om het blauw.

Ik heb thee in mijn tas.

Ik heb brood met kaas.

Ik heb ook een koek.

De koek is voor later.

Naast mij zit Bram.

Bram heeft ook een koek.

Zijn koek is rond.

Bram kijkt naar mijn koek.

Ik kijk naar zijn koek.

Bram zegt: "Mijn koek is groot." Ik zeg: "Mijn koek is veilig." Bij Zeist komt Noura.

Noura heeft een rode fiets.

Zij ziet mijn blauwe jas.

Zij zegt: "Dag Rick." Ik zeg: "Dag Noura." Wij lopen door de straat.

Wij gaan naar een kleine les.

Veel kinderen zijn daar.

Ze lezen en spelen.

Bij een hoek zien wij mensen.

Een auto staat op de straat.

Een man staat bij de auto.

De man heet Joost.

Joost heeft een rode tas.

Twee mannen van de wet staan daar.

Een man van de wet houdt Joost.

Een tweede man duwt Joost.

Joost krijgt een klap.

Joost zegt: "Au, ik heb pijn." Mijn thee wiebelt in mijn hand.

Mijn koek valt in mijn tas.

Bram kijkt naar zijn koek.

Bram zegt: "Koek, blijf bij mij." Noura zegt: "Stop, alsjeblieft." Ik zeg ook: "Stop, alsjeblieft." De twee mannen kijken naar Joost.

Joost zit op een stoel.

Een vrouw komt uit een winkel.

De vrouw heet Mira.

Mira heeft water.

Mira geeft water aan Joost.

Joost drinkt het water.

Joost zegt: "Dank je, Mira." Dan komt Sien.

Sien werkt voor de wet.

Zij kijkt naar de twee mannen.

Zij kijkt naar Joost.

Zij kijkt naar Mira.

Sien zegt: "Wij kijken goed." Sien zegt: "Wij praten vandaag." Sien zegt: "Pijn is niet goed." Sien zegt: "De straat is voor mensen." Joost knikt.

De man van de wet knikt ook.

De tweede man kijkt naar zijn schoen.

Zijn schoen is vies.

Bram ziet de schoen.

Bram zegt: "De schoen wil soep." Ik lach niet hard.

Noura lacht ook.

Joost lacht een beetje.

De dag is niet leuk.

Een klein lachje is goed.

Wij gaan naar de les.

Drie kinderen zitten aan tafel.

Ik schrijf woorden op het bord.

Ik zeg: "Arm." Ik zeg: "Pijn." Ik zeg: "Water." Ik zeg: "Stop." De kinderen lezen de woorden.

Ze zeggen de woorden.

Een kind tekent een hond.

De hond heeft een blauwe tas.

De hond eet een koek.

Bram wijst naar de hond.

Bram zegt: "Dat is mijn koek." De kinderen lachen.

Ik lach ook.

Dan eten wij brood.

Wij drinken thee.

Wij drinken melk.

Noura eet een appel.

Bram eet niets.

Bram zoekt zijn koek.

De koek is niet in zijn tas.

De koek is niet op tafel.

Een hond staat bij de deur.

De hond heet Bobo.

Bobo heeft kruimels op zijn neus.

Bram zegt: "Bobo weet veel." Bobo kijkt heel lief.

Ik zeg: "Bobo leest geen woorden." Bobo blaft: "Woef." De kinderen zeggen: "Woef is A1." Ik zeg: "Ja, heel A1." Na de les loop ik terug.

De zon is nog geel.

Mijn jas is nog blauw.

In mijn tas is geen koek.

Ik heb wel thee.

Ik drink de thee.

Ik zie Joost bij Mira.

Joost heeft water.

Joost praat met Sien.

De twee mannen staan daar.

Zij praten ook.

Ik ben blij met praten.

Ik ben niet blij met pijn.

De straat is nu licht.

Noura gaat op haar rode fiets.

Bram gaat naar de bus.

Ik ga ook naar de bus.

Bobo kijkt naar Bram.

Bram kijkt naar Bobo.

Bram zegt: "Mijn koek, hè?" Bobo zegt: "Woef." Dat is Bobo taal.

Ik lach.

Ik zeg: "Dag Zeist." Ik voel mij warm.

De dag is niet simpel.

De dag heeft ook brood.

De dag heeft thee.

De dag heeft een hond.

Dat is genoeg voor nu.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze