

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
# Weekrecap Dutch News Stories - A1 — 2026-W25 Hieronder volgen de afleveringen van deze week.
Vat ze samen in één natuurlijke Nederlandse Deep Dive aflevering: geef per aflevering de kerngedachte, link de verhalen aan elkaar waar dat kan, en sluit af met wat luisteraars deze week kunnen meenemen. ## Taalniveau Dit is een A1 aflevering.
Spreek heel rustig en in heel korte zinnen.
Gebruik alleen woorden die een A1-leerder kent.
Vermijd lange bijzinnen, beeldspraak en moeilijke werkwoordstijden.
Herhaal kernideeën in eenvoudige bewoordingen. ## Weekrecap — 7 juni t/m 14 juni # Weekrecap Dutch News Stories - A1 — 2026-W24 Hieronder volgen de afleveringen van deze week.
Vat ze samen in één natuurlijke Nederlandse Deep Dive aflevering: geef per aflevering de kerngedachte, link de verhalen aan elkaar waar dat kan, en sluit af met wat luisteraars deze week kunnen meenemen. ## Taalniveau Dit is een A1 aflevering.
Spreek heel rustig en in heel korte zinnen.
Gebruik alleen woorden die een A1-leerder kent.
Vermijd lange bijzinnen, beeldspraak en moeilijke werkwoordstijden.
Herhaal kernideeën in eenvoudige bewoordingen. ## Het Verloren Paspoort Leo en Lisa zijn in het huis.
Het huis is groot.
Het is ochtend.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Leo en Lisa gaan op reis.
Ze gaan naar een warm land.
Leo is blij.
Lisa is ook blij.
Leo heeft een tas.
De tas is groot.
De tas is rood.
Lisa kijkt in de tas.
Ze ziet een jas.
Ze ziet een boek.
Ze ziet een appel.
Ze ziet water.
Maar ze ziet geen paspoort.
"Leo," zegt Lisa.
"Waar is het paspoort?" Leo kijkt in de tas.
Hij ziet geen paspoort.
Hij kijkt op de tafel.
Hij ziet geen paspoort.
Hij loopt naar de keuken.
Hij kijkt in de kast.
Hij ziet geen paspoort.
Lisa loopt naar de kamer.
Ze kijkt onder het bed.
Ze ziet een sok.
De sok is blauw.
Maar ze ziet geen paspoort.
Het paspoort is weg.
Leo en Lisa hebben een probleem.
Ze gaan vandaag op reis.
Ze hebben een paspoort nodig.
"Wij gaan naar Schiphol," zegt Leo.
"Daar maken ze een paspoort." Ze gaan naar de auto.
De auto is geel.
De auto is klein.
Ze rijden naar Schiphol.
Ze rijden op de weg.
Ze zien veel auto's.
Ze zien een bus.
De bus is groen.
Ze komen bij Schiphol.
Schiphol is heel groot.
Ze lopen in de hal.
Ze horen veel geluid.
Ze zien veel mensen.
De mensen lopen snel.
De mensen hebben grote tassen.
Leo en Lisa lopen verder.
Ze zien een man.
De man zit aan een tafel.
De man heeft een blauwe jas.
"Hallo," zegt Leo.
"Wij hebben een probleem." "Het paspoort is weg." "Wij gaan op reis." "Wij hebben een paspoort nodig." De man kijkt naar Leo.
De man kijkt naar Lisa.
"Dat is een probleem," zegt hij.
"Ik maak een nieuw paspoort." "Maar ik heb ook een probleem." "De computer is stuk." "De computer doet het niet." "Jullie moeten wachten." Leo en Lisa wachten.
Ze zitten op een stoel.
De stoel is hard.
De stoel is koud.
Leo heeft honger.
Hij pakt de tas.
Hij pakt de appel.
Hij eet de appel.
De appel is lekker.
De appel is zoet.
Lisa heeft dorst.
Ze pakt het water.
Ze drinkt het water.
Ze wachten een uur.
Het is heel saai.
Leo leest het boek.
Het boek is dik.
Lisa kijkt naar de mensen.
Ze ziet een kind.
Het kind huilt.
Ze ziet een hond.
De hond slaapt.
Ze wachten nog een uur.
Leo is moe.
Hij sluit zijn ogen.
Hij slaapt een beetje.
Dan komt de man.
De man lacht.
"De computer werkt!" zegt de man.
"De computer doet het weer." Leo wordt wakker.
Leo en Lisa zijn blij.
Ze lopen naar de tafel.
De man typt op de computer.
Hij typt heel snel.
Hij kijkt naar Leo.
Hij kijkt naar Lisa.
Hij maakt een foto.
Hij maakt een boekje.
Het boekje is roze.
"Hier is het paspoort," zegt hij.
"Jullie kunnen op reis." "Dank je wel," zegt Lisa.
"Dank je wel," zegt Leo.
Ze hebben een paspoort.
Ze zijn heel blij.
Ze lopen verder in de hal.
Ze gaan naar het warme land.
De zon schijnt daar ook.
Het is een heel goede dag.
Tot de volgende keer. ## Blij met mijn Werk Hallo.
Ik ben Ali.
Ik woon in Rotterdam.
Het is ochtend.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Ik sta op.
Ik was mijn gezicht.
Het water is koud.
Ik droog mijn gezicht.
Ik ga naar de keuken.
Ik maak eten.
Ik eet brood.
Het brood is vers.
Ik eet ook een ei.
Het ei is warm.
Ik drink koffie.
De koffie is warm.
Ik drink nog een koffie.
Ik ben wakker.
Ik heb veel energie.
Energie is goed.
Ik pak mijn tas.
De tas is groen.
Ik ga naar buiten.
Ik loop op straat.
Ik zie een hond.
De hond is bruin.
De hond loopt snel.
De hond speelt met een bal.
De bal is rood.
Ik kijk naar de hond.
Ik lach.
Ik loop ook snel.
Ik ga naar mijn werk.
Ik werk in een winkel.
De winkel is groot.
De winkel is in de stad.
Ik vind mijn werk leuk.
Ik zie Lisa.
Lisa is mijn baas.
Zij is een vrouw.
Zij is heel aardig.
Zij zegt hallo.
Ik zeg hallo.
Wij gaan werken.
Er is veel werk.
Ik pak appels.
De appels zijn rood.
Ik pak bananen.
De bananen zijn geel.
Ik pak peren.
De peren zijn groen.
Ik leg het fruit neer.
Het is mooi.
Een man komt in de winkel.
De man is oud.
De man heeft een jas.
De jas is blauw.
De man wil appels.
Hij vraagt om appels.
Ik geef hem appels.
De man is blij.
Hij zegt dank je.
Ik zeg alsjeblieft.
Ik help. Johan en de Harde Boem. Dit is Johan.
Johan is een man.
Hij woont in het zuiden.
Hij woont in een dorp.
Het dorp is heel klein.
Johan woont in een mooi huis.
Het huis heeft een rode deur.
Het huis heeft grote ramen.
Noor woont ook in het huis.
Noor is de vrouw van Johan.
Noor is heel lief.
Ze hebben ook een dier.
Het is een kat.
De kat heet Minoes.
Minoes is heel dik.
Minoes is oranje met wit.
Minoes slaapt heel de dag.
Minoes houdt van slapen.
Het is nu ochtend.
De zon schijnt niet.
Het is koud buiten.
Johan zit aan de tafel.
Hij drinkt een kop koffie.
De koffie is warm en zwart.
Johan houdt van koffie.
Noor zit ook aan tafel.
Zij eet een appel.
De appel is rood en zoet.
Noor eet de appel langzaam.
Dan kijken ze naar buiten.
Het weer is niet goed.
De lucht is heel donker.
De lucht is grijs en zwart.
Johan kijkt naar de lucht.
Hij ziet veel donkere wolken.
Dan hoort Johan een geluid.
Boem!
Het is een heel hard geluid.
Het geluid komt uit de lucht.
Johan schrikt van het geluid.
Noor kijkt heel bang.
"Hoor jij dat, Johan?" vraagt Noor.
"Ja, ik hoor het," zegt Johan.
Boem!
Boem!
Daar is het geluid weer.
Het is heel hard.
De kat wordt wakker.
Minoes springt van de stoel.
Minoes rent door de kamer.
Minoes is bang voor de boem.
De dikke kat rent snel.
Een man loopt op straat.
De man is van de politie.
De man roept heel hard.
"Mensen, luister naar mij!" roept hij.
"Jullie moeten nu weg!" "Het is hier niet veilig." "Jullie moeten naar een andere stad." Johan en Noor kijken elkaar aan.
"Wij moeten weg," zegt Johan.
"Ja, wij gaan nu," zegt Noor.
Wat nemen ze mee?
Noor pakt een grote tas.
De tas is blauw.
Ze doet er veel brood in.
Het brood is vers en bruin.
Ze pakt ook flessen water.
Water is heel belangrijk.
Ze pakt ook kaas en fruit.
Johan zoekt de kat.
"Kom hier, Minoes," roept Johan.
Minoes zit onder de bank.
Minoes wil niet komen.
Johan pakt de dikke kat.
Minoes is heel zwaar.
Ze gaan naar buiten.
Ze lopen naar de auto.
De auto is oud en groen.
Johan doet de tas in de auto.
Hij zet Minoes op de bank.
Johan start de auto.
De auto doet pruttel, pruttel.
Dan rijdt de oude auto.
Ze rijden weg van het huis.
Ze rijden weg van het dorp.
Ze horen nog een keer boem.
Maar het geluid is nu ver.
Ze rijden heel lang.
Ze rijden twee uur.
De lucht wordt weer blauw.
De zon schijnt weer.
Het is warm in de auto.
Minoes slaapt weer op de bank.
Johan heeft veel honger.
"Mag ik een stuk brood?" vraagt hij.
Noor geeft hem een stuk brood.
Ze geeft ook een stuk kaas.
Johan eet het brood met kaas.
Het eten is erg lekker.
Ze komen in een nieuwe stad.
De stad is in het noorden.
Het is hier heel mooi.
Het is hier heel stil.
Er is geen boem in de lucht.
Er is geen hard geluid meer.
Ze zien een groot park.
Het park heeft veel groene bomen.
Ze stappen uit de groene auto.
Ze lopen in het mooie park.
Minoes loopt ook in het park.
Minoes ziet een kleine vogel.
De vogel vliegt snel weg.
Minoes is weer blij en rustig.
Johan en Noor zitten op een bank.
De bank is van hout.
"Het is hier goed," zegt Johan.
"Ja, het is veilig," zegt Noor.
Ze eten nog wat brood.
Ze drinken koud water.
Ze kijken naar de blauwe lucht.
Ze hebben geen huis hier.
Maar ze hebben elkaar.
En ze hebben de dikke kat.
Morgen zoeken ze een nieuw huis.
Vandaag rusten ze lekker uit.
Tot de volgende keer. ## João en de Rode Pet Ik ben Rick.
Ik kom uit Den Haag.
Vandaag ben ik in Rio.
Rio is in Brazilië.
De zon is geel.
De lucht is blauw.
De straat is druk.
Ik hoor auto’s.
Ik ruik koffie en banaan.
Ik drink water uit een glas.
Ik eet brood.
Bij mij zijn Noor en João.
Noor komt uit Utrecht.
João komt uit Rio.
João is 21 jaar.
Hij is blij.
Hij lacht veel.
Hij heeft een rode pet.
De pet zit scheef.
Noor lacht om de pet.
Ik lach ook.
João zegt: "De pet is groot." Ik zeg: "De pet eet jouw hoofd." João lacht hard.
Noor lacht hard.
De pet zit nog schever.
Wij gaan naar een hoge plek.
De plek is bij water.
Veel mensen kijken.
Er is muziek.
De muziek is luid.
Een man eet een banaan.
Zijn hond kijkt naar de banaan.
De hond wil ook eten.
De man zegt: "Nee, vriend." De hond kijkt heel groot.
Wij lachen zacht.
Het is een rare start.
João houdt van sport.
Hij doet graag sport.
Vandaag doet hij een groot spel.
Het spel is hoog.
Het spel is bij water.
João heeft een zwart pak.
Noor ziet het pak.
Ik zie zijn pet.
De pet zit nog scheef.
Ik zeg: "João, kijk goed." João zegt: "Ja, Rick." Mila werkt hier.
Zij helpt bij het spel.
Zij kijkt goed.
Zij kijkt naar João.
Zij kijkt naar zijn rug.
Zij kijkt naar zijn voet.
Zij ziet geen lijn.
Zij zegt zacht: "Wacht." Maar de muziek is luid.
João hoort haar niet.
Ik hoor Mila wel.
Mijn hart gaat snel.
Ik zeg: "Wacht, João." Mijn stem is klein.
De muziek is groot.
De pet zit nog scheef.
De pet is gek.
Noor lacht niet meer.
João lacht nog wel.
Hij kijkt naar de lucht.
Hij gaat.
Hij is in de lucht.
Zijn rode pet gaat mee.
De pet draait rond.
De pet zegt bijna hallo.
Ik zie geen lijn.
Noor ziet geen lijn.
Mila ziet geen lijn.
Wij zijn heel stil.
João komt hard in het water.
Het water is donker.
Ik hoor geen lach.
Ik hoor alleen muziek.
Mila gaat snel naar het water.
Een arts komt ook.
De arts werkt snel.
Noor pakt mijn hand.
Ik pak haar hand.
Wij staan daar.
De zon is nog geel.
De lucht is nog blauw.
Maar alles voelt klein.
De muziek gaat uit.
De hond is ook stil.
De banaan ligt op de grond.
De man kijkt naar de grond.
Niemand eet.
Niemand lacht.
Na een tijd zegt de arts: "João leeft niet meer." Ik ben verdrietig.
Noor huilt zacht.
Mila zit bij ons.
Wij drinken thee in een café.
De thee is heet.
Ik ruik koffie.
Ik ruik brood.
Het café is geel.
Een kat zit bij de deur.
De kat kijkt naar de pet.
De rode pet ligt op tafel.
De pet ligt scheef.
Noor ziet de pet.
Zij lacht heel klein.
Ik lach ook heel klein.
De kat kijkt heel stil.
Dan niest de kat.
De pet ligt nog schever.
Wij lachen een beetje.
Het lachen is klein.
Het lachen helpt toch.
Ik denk aan João.
Ik denk aan zijn lach.
Ik denk aan zijn rode pet.
Ik zeg tegen Noor: "Kijk goed." Ik zeg tegen Mila: "Kijk goed." Ik zeg tegen mij: "Kijk goed." Wij eten brood.
Wij drinken water.
Wij lopen naar de straat.
De straat is weer druk.
Een auto toetert.
Een kind speelt met een bal.
De bal is rood.
De zon gaat laag.
Noor zegt: "Dag João." Mila zegt: "Dag vriend." Ik zeg: "Dag jongen." Ik voel pijn.
Ik voel ook liefde.
Wij zijn samen.
Dat is goed.
Ik ben Rick uit Den Haag.
Ik geef les.
Vandaag is de les simpel.
Kijk goed.
Eet samen.
Drink samen.
Wees lief.
Tot de volgende keer. ## De Nieuwe Computer van Johan Dit is Johan.
Johan is een man.
Johan is in een huis.
Het huis is in Utrecht.
Het is vandaag mooi weer.
De zon schijnt.
Het is warm.
De lucht is blauw.
Johan ziet de lucht.
Johan ligt in bed.
Johan is ziek.
Hij kan niet lopen.
Hij kan niet praten.
Hij slaapt veel.
Maar Johan is niet dom.
Johan hoort alles.
Johan ziet alles.
Johan denkt heel veel.
Maria is de vrouw van Johan.
Maria komt in de kamer.
Maria heeft koffie.
Maria drinkt de koffie.
De koffie is warm.
De koffie is lekker.
Anna is het kind.
Anna is de dochter.
Anna komt ook in de kamer.
Anna heeft een hond.
De hond heet Max.
Max is bruin.
Max is een grote hond.
Max speelt met een bal.
De bal is rood.
Max loopt naar Johan.
Max kijkt naar Johan.
Max is blij.
Johan ziet Max.
Johan ziet de bal.
Johan is ook blij.
Er is nog een man.
De man is in het huis.
De man is een dokter.
De dokter heeft een computer.
De computer is heel nieuw.
De computer is voor Johan.
De dokter zet de computer neer.
De dokter kijkt naar Johan.
De computer kijkt ook.
De computer kijkt naar zijn hoofd.
Johan kijkt naar de computer.
Johan denkt.
Johan denkt aan een woord.
De computer ziet dat.
De computer zegt het woord.
De computer praat.
De computer zegt: "Hallo".
Maria hoort de computer.
Maria kijkt naar Johan.
Maria is heel blij.
Maria huilt een beetje.
Anna hoort de computer ook.
Anna lacht.
Anna zegt: "Hallo papa".
Johan denkt weer.
De computer zegt: "Hallo Anna".
Het is heel mooi.
Johan kan weer praten.
Hij praat met de computer.
Johan is heel blij.
Maria is heel blij.
Anna is heel blij.
Het is tijd voor eten.
Maria gaat naar de keuken.
Maria maakt brood.
Het brood is vers.
Maria heeft kaas.
Maria heeft ook melk.
Maria komt in de kamer.
Maria vraagt aan Johan: "Heb je honger?" Johan denkt.
De computer zegt: "Ja".
Maria geeft Johan eten.
Johan eet het brood.
Johan drinkt de melk.
Het eten is lekker.
Max de hond kijkt.
Max ziet het brood.
Max wil ook brood.
Max kijkt heel lief.
Max loopt naar het bed.
Johan ziet Max.
Johan denkt aan een grap.
De computer zegt: "Max wil kaas".
Maria lacht.
Anna lacht heel hard.
Max blaft.
Johan denkt weer.
De computer zegt: "Max is een dikke hond".
Maria lacht weer.
Anna lacht weer.
Max snapt de grap niet.
Max is een hond.
Honden snappen geen grappen.
De dokter gaat naar huis.
De dokter zegt: "Dag Johan".
Johan denkt.
De computer zegt: "Dag dokter".
De dokter loopt op straat.
De dokter gaat in de auto.
De auto is groen.
De auto rijdt weg.
Het is avond.
De zon gaat weg.
Het is donker.
Johan is moe.
Johan gaat slapen.
Maria gaat ook slapen.
Anna gaat ook slapen.
Max de hond slaapt ook.
Het huis is stil.
Het is een goede dag.
Johan kan weer praten.
Dat is heel fijn.
Tot de volgende keer. Oude Dingen in de Grond. Hallo.
Ik ben Rick.
Ik ben leraar.
Ik woon in Den Haag.
Vandaag vertel ik een verhaal.
Het verhaal gaat over Jan en Mark.
Jan is een man.
Mark is ook een man.
Ze zijn vrienden.
Ze zijn vandaag in Ane.
Ane is een klein dorp.
Het dorp is heel mooi.
Het is zaterdag.
Het weer is heel goed.
De zon schijnt.
De lucht is blauw.
Er is geen regen.
Jan is blij.
Mark is ook blij.
Jan en Mark lopen buiten.
Ze lopen in een veld.
Het veld is heel groot.
Het gras is groen.
Er zijn geen bomen.
Jan en Mark hebben een hobby.
Ze zoeken oude dingen.
Ze zoeken in de grond.
De grond is bruin.
Jan heeft een machine.
De machine is lang.
De machine zoekt in de grond.
Mark kijkt naar Jan.
Mark loopt naast Jan.
Ze lopen heel langzaam.
Ze kijken goed naar de grond.
Ze luisteren goed.
Het is heel warm.
Mark heeft dorst.
Mark drinkt water.
Jan drinkt ook water.
Dan hoort Jan iets.
De machine maakt geluid.
"Piep, piep," zegt de machine.
Jan stopt met lopen.
Mark stopt ook.
"Hoor jij dat?" vraagt Jan.
"Ja, ik hoor het," zegt Mark.
De machine zegt weer "piep".
Het geluid is hard.
Jan kijkt naar de grond.
Er is iets in de grond.
Wat is het?
Is het oud?
Ze willen het weten.
Jan gaat op de grond zitten.
Hij zoekt met zijn handen.
Hij gebruikt een kleine stok.
Hij zoekt in de bruine grond.
Mark wacht.
"Zie je iets?" vraagt Mark.
"Nee, ik zie niets," zegt Jan.
Jan zoekt verder.
Dan voelt Jan iets.
Het is hard.
Het is heel oud.
Jan pakt het ding.
Hij maakt het ding schoon.
Hij haalt de grond weg.
Hij kijkt naar het ding.
Mark kijkt ook.
Ze zijn heel stil.
"Wat is het?" vraagt Mark.
Is het een munt?
Nee.
Is het een ring?
Nee.
Het is een oude lepel.
De lepel is heel oud.
De lepel is klein.
Jan is heel blij.
"Kijk, een oude lepel!" zegt Jan.
Mark lacht.
"Dat is leuk," zegt Mark.
"Maar ik heb nu honger." Mark pakt een appel.
De appel is rood.
Mark eet de appel.
De appel is heel zoet.
Mark vindt de appel lekker.
Jan wil verder zoeken.
Hij staat weer op.
Hij pakt de machine.
Hij loopt weer in het veld.
Mark eet zijn appel.
Mark loopt achter Jan.
Dan zegt de machine weer "piep".
Jan stopt.
Hij gaat weer zitten.
Hij zoekt weer in de grond.
Hij vindt weer iets.
Wat is het nu?
Is het weer een lepel?
Nee.
Het is een oude schoen.
De schoen is heel vies.
De schoen is bruin.
Mark lacht heel hard.
"Ik eet een appel," zegt Mark.
"En jij vindt een oude schoen!" Jan lacht ook.
De schoen is heel grappig.
Ze zoeken nog een uur.
Ze vinden geen dingen meer.
Het is nu laat.
De zon gaat weg.
De lucht is niet meer blauw.
Het wordt koud.
Ze hebben het koud.
"We gaan naar huis," zegt Jan.
"Ja, we gaan," zegt Mark.
Ze lopen naar de auto.
De auto is blauw.
Ze stappen in de auto.
Ze rijden naar huis.
Ze zijn heel moe.
Maar ze zijn ook blij.
Ze hebben een oude lepel.
Ze hebben een oude schoen.
Thuis drinken ze koffie.
De koffie is warm.
Het is een goede dag.
Tot de volgende keer. ## Vuur in de Straat Mark woont in Amsterdam.
Hij woont in een huis.
Het huis is groot.
Het huis is mooi.
Mark is een man.
Hij heeft honger.
Hij gaat naar de keuken.
Hij maakt eten.
Hij maakt soep.
De soep is warm.
De soep is rood.
Mark houdt van soep.
Hij eet de soep.
Hij drinkt water.
Het water is koud.
Mark is blij.
Het is avond.
Het is donker buiten.
Het regent een beetje.
Mark kijkt naar buiten.
Hij ziet de straat.
De straat is nat.
Hij ziet een auto.
De auto is blauw.
Dan is er iets.
Het is heel hard.
Boem!
Wat is dat?
Mark weet het niet.
De lepel valt op de grond.
Mark kijkt uit het raam.
Hij ziet vuur.
Het vuur is groot.
Het vuur is geel.
Het vuur is rood.
Het is bij een winkel.
De winkel is kapot.
Het raam is kapot.
De deur is kapot.
Wat doen ze daar?
Hij ziet twee mannen.
De mannen rennen weg.
Ze rennen heel hard.
Ze hebben zwarte jassen aan.
Ze zijn slechte mannen.
Ze doen slechte dingen.
Mark roept zijn buurvrouw.
De buurvrouw heet Sophie.
Sophie komt naar buiten.
Ze kijkt ook.
"Wat is dat?" vraagt Sophie.
"Ik weet het niet," zegt Mark.
"Ik zie vuur," zegt Sophie.
"Ja, heel veel vuur," zegt Mark.
Ze kijken samen.
Ze zien een auto.
De auto is van de politie.
De politie komt snel.
De auto heeft blauw licht.
Het licht is heel fel.
Twee agenten stappen uit.
Een agent is een man.
Een agent is een vrouw.
Ze lopen naar de winkel.
Ze kijken naar het vuur.
Ze kijken naar het raam.
Mark en Sophie kijken.
Ze staan voor het raam.
Het is koud.
Mark pakt een jas.
De jas is dik.
Sophie heeft ook een jas.
Ze wachten.
De politie zoekt.
Ze zoeken de slechte mannen.
De mannen zijn weg.
Ze rennen in de stad.
De politie zoekt in de straat.
Ze zoeken in het park.
Mark gaat weer naar binnen.
Hij heeft nog honger.
Hij kijkt naar zijn soep.
De soep is nu koud.
Dat is jammer.
Mark pakt een broodje.
Hij eet het broodje.
Het broodje is met kaas.
Kaas is lekker.
Sophie gaat ook naar binnen.
Ze gaat naar haar huis.
Ze gaat slapen.
Het is laat.
Mark zit op de bank.
Hij kijkt tv.
Hij ziet het nieuws.
Het nieuws is op tv.
De man op tv zegt iets.
Hij zegt iets over de winkel.
Hij zegt iets over het vuur.
Hij zegt: "Slechte mannen doen dit." Mark knikt.
Hij weet dat.
Hij ziet de mannen weer.
Hij ziet ze rennen.
Mark pakt zijn telefoon.
Hij belt zijn moeder.
Zijn moeder woont ver weg.
"Hallo mama," zegt Mark.
"Hallo Mark," zegt zijn moeder.
"Alles goed?" vraagt ze.
"Ja," zegt Mark.
"Er is vuur in de straat." Zijn moeder roept: "Oh nee!" "Ben je oké?" vraagt ze.
"Ja, ik ben oké," zegt Mark.
"Ik eet een broodje." Zijn moeder lacht.
Mark lacht ook.
Hij is in zijn huis.
Zijn huis is goed.
De politie is in de straat.
Ze doen hun werk.
Ze zoeken de mannen.
Mark gaat naar bed.
Hij is moe.
Hij gaat slapen.
Morgen is een nieuwe dag.
Morgen gaat hij werken.
Hij werkt in een school.
Hij is leraar.
Hij houdt van zijn werk.
Tot de volgende keer. ## De Politie Doet Niets Hallo.
Ik ben Rick.
Vandaag vertel ik een verhaal.
Het verhaal gaat over Kees.
Kees is een man.
Hij woont in Leiden.
Kees heeft een vrouw.
Zijn vrouw heet Sanne.
Het is ochtend.
Kees wordt wakker.
Hij stapt uit bed.
Hij eet brood.
Hij drinkt melk.
Kees kijkt uit het raam.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Kees wil fietsen.
Hij zegt tegen Sanne: "Ik ga fietsen." Sanne zegt: "Dat is goed." Sanne leest een boek.
Kees gaat naar buiten.
Hij loopt naar de straat.
Hij kijkt links.
Hij kijkt rechts.
Waar is de fiets?
Kees ziet de fiets niet.
De fiets is weg.
Iemand heeft de fiets.
Dat is niet leuk.
Kees is boos.
Hij gaat weer naar binnen.
Hij zegt tegen Sanne: "Mijn fiets is weg." Sanne zegt: "Ga naar de politie." "De politie helpt jou." "De politie is heel goed." Kees zegt: "Ik ga nu." Kees loopt naar de stad.
Het is heel ver.
Kees loopt en loopt.
Hij ziet een park.
In het park zijn kinderen.
De kinderen spelen.
Ze spelen met een bal.
De bal is geel.
Kees kijkt naar de kinderen.
Hij ziet ook een kat.
De kat slaapt in de zon.
Kees loopt langs het park.
Hij is heel moe.
Hij heeft dorst.
Hij ziet een winkel.
Hij koopt water.
Hij drinkt het water.
Het water is koud.
Dat is lekker.
Kees loopt weer verder.
Hij komt bij de politie.
Hij ziet een groot huis.
Kees gaat naar binnen.
Hij ziet een man.
De man is een agent.
De agent heet Dirk.
Dirk zit aan een tafel.
Wat doet Dirk?
Dirk werkt niet.
Dirk drinkt koffie.
De koffie is warm.
Dirk eet ook taart.
De taart is groot.
De taart is heel zoet.
Op het bureau ligt papier.
Er is veel papier.
Het papier is wit.
Het papier is voor de fietsen.
Veel fietsen zijn weg.
Veel mensen zijn boos.
Maar Dirk leest het papier niet.
Dirk kijkt naar een computer.
Hij kijkt naar een hond.
De hond is heel grappig.
Dirk is heel blij.
Kees loopt naar Dirk.
Kees zegt: "Hallo Dirk." Dirk kijkt naar Kees.
Dirk zegt: "Hallo man." Kees zegt: "Mijn fiets is weg." "Ik zoek mijn rode fiets." "Kan jij mij helpen?" Dirk neemt een hap taart.
Dirk drinkt wat koffie.
Dirk zegt: "Nee." "Ik help jou niet." "Ik heb geen tijd." "Ik eet mijn taart." Kees kijkt naar Dirk.
Kees begrijpt het niet.
"Jij bent de politie," zegt Kees.
"Jij moet mij helpen." Dirk zegt: "Ik doe niets." "Kijk naar mijn bureau." "Ik heb duizend papieren." "Ik doe niets met papier." "In dit jaar doe ik niets." "Niets doen is mijn werk." "Ik eet alleen taart." Kees is heel boos.
"Dat is heel raar," zegt Kees.
Dirk kijkt heel blij.
"Wil jij ook taart?" zegt Dirk.
Kees kijkt naar de taart.
Kees heeft veel honger.
Kees zegt: "Ja, graag." Kees zit naast Dirk.
Kees krijgt een bord.
Kees krijgt een vork.
Kees eet de taart.
Het is taart met appel.
En taart met suiker.
De taart is heel lekker.
Kees drinkt ook koffie.
Kees en Dirk eten taart.
Ze eten en drinken.
Ze doen helemaal niets.
Dirk zegt: "Zie je wel?" "Niets doen is heel leuk." "Taart eten is heel goed." Kees zegt: "Jij hebt gelijk." "Mijn fiets is weg." "Dat is heel jammer." "Maar de taart is super." Kees gaat weer naar huis.
Hij loopt naar huis.
Hij komt bij zijn huis.
Sanne doet de deur open.
Sanne zegt: "Heb jij je fiets?" Kees zegt: "Nee, ik heb geen fiets." "De politie doet helemaal niets." "Maar ik eet veel taart." "Ik ben heel blij." Sanne kijkt naar Kees.
Zij begrijpt het niet.
Kees gaat op de bank zitten.
Hij gaat slapen.
Tot de volgende keer. Een Warme Dag in de Tuin. Hallo.
Ik ben Emma.
Ik woon in Breda.
Ik heb een huis.
Het huis is mooi.
Het huis heeft een tuin.
De tuin is groot.
De tuin is groen.
Vandaag is het warm.
Heel erg warm.
De zon is geel.
De zon is groot.
De zon is heet.
Ik ben in de tuin.
Lars is ook hier.
Lars is mijn man.
Lars is een goede man.
Wij zitten in de tuin.
Wij hebben het warm.
Heel erg warm.
Lars drinkt water.
Het water is koud.
Ik drink ook water.
Wij drinken veel water.
Het is een warme dag.
Een heel warme dag.
Wij drinken nog meer water.
Lars eet een appel.
De appel is rood.
De appel is zoet.
Lars eet de appel.
Ik eet brood.
Het brood is vers.
Ik eet het brood.
Wij eten en drinken.
Wij zitten op een stoel.
De stoel is wit.
Lars heeft ook een stoel.
Zijn stoel is ook wit.
De lucht is blauw.
Ik kijk naar de lucht.
Ik zie geen wolken.
Het is heel warm.
De kat is ook hier.
De kat heet Minoes.
Minoes is zwart.
Minoes slaapt.
Zij slaapt in de zon.
Zij heeft het ook warm.
Minoes slaapt veel.
Wij spelen een spel.
Het spel is leuk.
Wij spelen met kaarten.
Wij lachen veel.
Lars is grappig.
Het is een mooie dag.
Een heel mooie dag.
Maar dan.
Ik kijk weer.
Ik kijk naar de lucht.
De lucht is niet blauw.
De lucht is grijs.
Heel erg grijs.
De zon is weg.
Ik zie de zon niet.
De zon is achter de wolken.
De wolken zijn donker.
Lars kijkt ook.
Hij ziet de grijze lucht.
"Kijk," zegt Lars.
"Het weer is anders." Ik hoor iets.
Ik hoor een geluid.
Het geluid is groot.
Boem!
Het is heel donker.
De lucht is zwart.
"Wat is dat?" vraag ik.
"Dat is slecht weer," zegt Lars.
"Heel slecht weer." Dan komt er water.
Water uit de lucht.
Het is regen.
Heel veel regen.
Het water valt.
Het valt op mijn arm.
Het valt op mijn been.
Het valt op mijn gezicht.
"Regen!" zegt Lars.
"Het regent heel hard." Wij staan op.
Wij rennen.
Wij rennen naar het huis.
De kat rent ook.
Minoes rent heel snel.
Zij wil geen water.
Katten houden niet van water.
Wij zijn in het huis.
De deur gaat dicht.
Wij kijken naar buiten.
Wij kijken door het raam.
Het raam is groot.
Ik zie de tuin.
De tuin is nat.
De witte stoel is nat.
De tafel is nat.
Alles is nat.
Ik hoor de regen.
De regen tikt.
Tik, tik, tik.
Het is veel water.
Heel veel water.
Lars lacht.
Ik lach ook.
Wij zijn nat.
Mijn haar is nat.
Mijn shirt is nat.
Het haar van Lars is nat.
"Dat is koud," zegt Lars.
"Ja," zeg ik.
"Maar het is goed." De dag is heel warm.
Nu is het koud.
De regen is koud.
Wij pakken een doek.
De doek is droog.
Wij maken ons droog.
Mijn haar is weer droog.
Wij zitten in het huis.
Het huis is droog.
Het huis is warm.
Wij kijken naar de regen.
De regen is mooi.
Wij drinken thee.
De thee is warm.
Wij eten koekjes.
De koekjes zijn zoet.
Wij eten veel koekjes.
Het slechte weer is buiten.
Wij zijn binnen.
Wij zijn blij.
Wij spelen weer een spel.
De warme dag is klaar.
De regen is hier.
Het is een goede dag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze