Alle podcasts

De Grote Test van Soldaat Lars

Lars is soldaat.

Hij werkt voor het leger.

Het leger is in Amsterdam.

Lars staat vroeg op.

Het is zeven uur.

Hij eet brood.

Het brood is met kaas.

De kaas is geel.

Lars drinkt koffie.

De koffie is warm.

De koffie ruikt lekker.

Lars eet het brood langzaam.

Hij is nog een beetje moe.

Lars loopt naar zijn werk.

Het is koud buiten.

Hij ziet zijn vriend Pieter.

Pieter is ook soldaat.

Pieter heeft een grote rugzak.

De rugzak is zwaar.

Lars zegt: "Goedemorgen, Pieter!" Pieter zegt: "Goedemorgen, Lars!" Ze lopen samen.

Het is koud.

Lars heeft een jas.

De jas is groen.

Pieter heeft ook een jas.

Zijn jas is ook groen.

Ze lachen samen.

De wind waait zacht.

Lars hoort vogels.

De vogels zingen.

Bij het werk is een brief.

De brief is van de baas.

De baas heet meneer De Vries.

Lars leest de brief.

Pieter leest ook.

De brief zegt: er is een test.

De test is voor alle soldaten.

Lars vraagt: "Wat is de test?" Pieter zegt: "Ik weet het niet." Lars zegt: "Ik ben een beetje bang." Pieter zegt: "Ik ook!" Lars denkt aan de test.

Hij is zenuwachtig.

Ze gaan naar de kamer.

De kamer is groot.

Er zijn veel soldaten.

Iedereen zit op een stoel.

De stoelen zijn hard.

Lars zit naast Pieter.

De kamer is stil.

Lars hoort zijn hart.

Het klopt snel.

Meneer De Vries komt binnen.

Hij is de baas.

Hij is groot en sterk.

Hij zegt: "Goedemorgen, soldaten!" Alle soldaten zeggen: "Goedemorgen, meneer De Vries!" Zijn stem is luid.

Meneer De Vries zegt: "Er is een nieuwe test.

De test is voor jullie bloed." Lars kijkt naar Pieter.

Pieter kijkt naar Lars.

Lars fluistert: "Bloed?

Ik ben bang voor bloed!" Pieter lacht zacht.

Lars voelt zijn handen.

Ze zijn koud.

Een dokter komt binnen.

De dokter heet Anna.

Anna is vriendelijk.

Ze heeft een witte jas.

De jas is schoon.

Ze zegt: "Hallo, soldaten.

De test is niet erg." Lars zegt: "Echt niet?" Anna zegt: "Echt niet.

Het is snel klaar." Haar stem is zacht.

Anna doet de test bij Lars.

Lars kijkt weg.

Hij ziet de muur.

De muur is wit.

Hij telt: een, twee, drie.

Hij hoort zijn adem.

Anna zegt: "Klaar!" Lars zegt: "Zo snel?" Anna lacht.

Ze zegt: "Ja, zo snel!" Lars voelt niets.

Hij is verbaasd.

Pieter doet ook de test.

Pieter kijkt ook weg.

Hij kijkt naar het raam.

Het raam is groot.

Buiten is een boom.

De boom is groen.

De bladeren bewegen.

Anna zegt: "Klaar, Pieter!" Pieter zegt: "Dat is fijn!" Hij lacht.

Na de test eten Lars en Pieter samen.

Ze eten soep.

De soep is warm.

De soep ruikt goed.

Lars zegt: "De test is klaar." Pieter zegt: "Ja, en ik leef nog!" Ze lachen hard.

Lars drinkt de soep.

Het is lekker.

Lars is blij.

Pieter is ook blij.

Ze drinken thee.

De thee is lekker.

De thee is warm.

Lars zegt: "Morgen werk ik weer." Pieter zegt: "Ik ook.

Maar geen test meer!" Ze lachen weer.

Het is een goede dag.

Lars gaat naar huis.

Hij loopt door de straat.

De straat is rustig.

Hij ziet een kat.

De kat is oranje.

De kat loopt langzaam.

Lars zegt: "Dag, kat!" De kat kijkt hem aan.

De kat miauwt zacht.

Thuis eet Lars brood.

Hij drinkt water.

Hij is moe.

Hij gaat slapen.

Hij denkt aan de test.

De test was niet erg.

Hij is blij.

Het is een goede dag voor Lars.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze