

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Hans, ik woon in Duitsland, ik woon in een stad.
De stad is groot, ik woon in een straat, de straat is lang, ik woon in een huis.
Het huis is mooi, het huis is wit, ik woon met Lisa.
Lisa is mijn vrouw, wij zijn in de tuin.
De tuin is achter het huis, de tuin is groen.
Wij zitten op een stoel, de stoel is zacht, de zon schijnt vandaag.
Het is heel warm, wij drinken thee, de thee is in een kopje.
Het kopje is geel, de thee is warm, de thee is heel lekker.
Wij eten ook een koekje, het koekje is zoet, wij kijken naar de lucht, de lucht is heel blauw.
Ik zie een vogel, de vogel is zwart, de vogel vliegt hoog, de vogel vliegt snel.
Lisa ziet ook iets.
Kijk, zegt Lisa, ik zie een vliegtuig, ik kijk ook naar boven, ik zie het vliegtuig.
Het vliegtuig is wit, het vliegtuig is heel groot, het vliegtuig vliegt heel hoog.
Wij kijken naar het vliegtuig, wij drinken onze thee, het is een heel mooie dag.
Maar dan gaat het fout, het vliegtuig vliegt niet goed, het vliegtuig gaat naar beneden, het gaat heel snel.
Oh nee, zegt Lisa, kijk naar het vliegtuig, ik kijk naar het vliegtuig, ik ben heel bang, het vliegtuig valt, het valt heel snel, het valt op een huis.
Het huis is in onze straat, het is het huis van Jan. Jan is een man, hij woont in onze straat, het vliegtuig valt op het huis, ik hoor een harde boem, de boem is heel hard, ik zie vuur, het vuur is rood, het vuur is geel, het vuur is heel warm, het huis is helemaal stuk, het vliegtuig is ook stuk, dit is heel erg, dit is een heel groot probleem.
Ik ren naar de straat, Lisa rent ook mee, wij rennen naar het huis, het huis van Jan, wij zien het grote vuur, wij zien het witte vliegtuig, het is heel erg warm.
Jan, roep ik hard, Jan ben je daar, ik hoor helemaal niets, ik roep nog een keer.
Jan roep ik heel hard, Lisa pakt haar telefoon, zij belt de politie, zij belt ook de brandweer, help, zegt Lisa.
Een vliegtuig valt op een huis, de politie komt heel snel, de brandweer komt ook snel, zij hebben grote auto's, de auto's zijn rood, de auto's zijn ook blauw, zij hebben heel veel mensen, de mensen gaan helpen, zij maken het vuur uit, het vuur is nu weg, maar het huis is stuk, het vliegtuig is ook stuk, de politie praat met ons, wat zien jullie, vraagt de politie?
We zien het vliegtuig, zeg ik, het vliegtuig valt op het huis, de politie schrijft het op, wij kijken naar het huis, Jan is niet in het huis, Jan is in de stad, dat is heel erg goed, Jan is heel veilig, maar twee mensen zijn niet veilig, twee mensen zijn in het vliegtuig, zij zijn niet meer hier, dat is heel erg, wij zijn heel stil, de straat is heel stil, het is een heel slechte dag, wij gaan terug naar huis, wij zitten in de tuin,
wij drinken weer thee, maar de thee is nu koud, wij praten helemaal niet, wij denken aan het vliegtuig, wij denken aan de mensen, het is een heel groot probleem, tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze