

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Ik vertel een verhaal.
Dit is Nina.
Nina is een oude vrouw.
Nina is 80 jaar.
Ze woont in Moskou.
Moskou is een grote stad.
Moskou is in een groot land.
Het is winter in Moskou.
Het is heel koud.
Er ligt sneeuw.
De sneeuw is wit.
Nina is in haar huis.
Het huis is klein.
Het huis is ook oud.
Nina heeft het koud.
Ze zit op een stoel.
De stoel is rood.
Nina is moe.
Ze is heel erg moe.
Ze kijkt uit het raam.
Ze ziet de straat.
De straat is grijs.
De lucht is ook grijs.
Nina is niet blij.
Ze is heel verdrietig.
Ze wil niet meer in Moskou zijn.
Nina pakt een pen.
Ze pakt ook papier.
Ze schrijft een brief.
Ze schrijft heel langzaam.
Ze schrijft naar Ivan.
Ivan is een goede vriend.
Beste Ivan schrijft Nina.
Ik ben heel moe.
Moskou is te koud.
De winter is te lang.
Ik ga weg.
Ik ga heel ver weg.
Ik kom niet meer terug.
Dag Ivan.
Nina legt de pen neer.
Ze kijkt naar het papier.
Ze stopt de brief in haar tas.
Nina staat op.
Ze loopt naar haar kast.
Ze pakt een koffer.
De koffer is heel groot.
De koffer is ook zwaar.
Nina maakt de koffer open.
Wat stopt Nina in de koffer?
Ze pakt een dikke jas.
De jas is zwart.
Ze pakt een grote muts.
De muts is rood.
De muts is heel groot.
Het is een grappige muts.
Nina zet de muts op haar hoofd.
De muts valt over haar ogen.
Nina ziet niets.
Dat is een beetje grappig.
Nina doet de muts weer af.
Ze stopt de muts in de grote koffer.
Ze pakt ook een boek.
Het boek is heel dik.
Nina leest graag.
Ze leest elke dag.
Ze pakt nog een boek.
En nog een boek.
Nu is de koffer vol.
De koffer is heel zwaar.
Nina doet de koffer dicht.
Ze is klaar.
Nina loopt naar de deur.
Ze kijkt nog een keer.
Ze kijkt naar haar kleine huis.
Dag huis, denkt Nina.
Dag koude stad.
Nina gaat naar buiten.
Het is heel koud buiten.
De wind is koud.
Nina doet haar jas dicht.
Ze loopt op de straat.
Ze loopt heel langzaam.
De koffer is zwaar.
Nina is oud.
Nina gaat naar de trein.
Ze wil naar de zon.
Ze wil naar een heel warm land.
Nina is bij de trein.
De trein is heel lang.
De trein is geel met blauw.
Nina stapt in de trein.
Ze zoekt een goede stoel.
Ze ziet een mooie stoel.
De stoel is bij een raam.
Nina gaat zitten.
Ze zet de koffer op de grond.
Nina is nu heel moe.
Ze sluit haar ogen.
Ze wil slapen.
Ze wil heel lang slapen.
De trein gaat rijden.
De trein gaat heel snel.
Nina slaapt.
Ze slaapt heel diep.
Ze droomt.
Ze droomt over de warme zon.
Ze droomt over een mooi warm land.
Ivan komt bij het huis van Nina.
Hij klopt op de deur.
Nina doet niet open.
Ivan gaat naar binnen.
Hij ziet de tas.
Hij ziet de brief in de tas.
Ivan leest de brief.
Hij leest de woorden van Nina.
Ivan is verdrietig.
Hij huilt een beetje.
Maar hij snapt het wel.
Nina is heel moe.
Nina is nu weg.
Ze is op reis.
Ze is op reis naar de zon.
Ivan kijkt uit het raam.
Hij kijkt naar de lucht.
Dag Nina zegt Ivan.
Goede reis.
Dit is het verhaal van Nina.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze