Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De Grote Auto van Daan

RICK: Kijk, Sophie.

Die auto is groot.

SOPHIE: Ja, dat is een grote auto.

RICK: Daan heeft ook zo een auto.

SOPHIE: Echt?

Daan heeft een grote auto?

DAAN: Ja!

Ik heb een grote auto.

RICK: Hoeveel kost die auto, Daan?

DAAN: Heel veel geld.

Te veel geld.

SOPHIE: Rijd je veel met die auto?

DAAN: Ja, elke dag naar mijn werk.

SOPHIE: En naar de winkel?

DAAN: Nee.

De winkel is dichtbij.

RICK: Dus je loopt naar de winkel?

DAAN: Ja.

Lopen is goed voor mij.

SOPHIE: Lopen is goed.

Dat is waar.

RICK: Maar je auto is toch groot?

DAAN: Ja.

Hij is heel groot en zwaar.

SOPHIE: Hoeveel benzine gebruikt hij?

DAAN: Veel.

Heel veel benzine.

RICK: Dat is slecht voor je geld, Daan.

DAAN: Ja.

Mijn geld gaat naar de auto.

SOPHIE: Dat is niet goed, Daan.

DAAN: Ik weet het.

Maar ik ben blij.

RICK: Ben je echt blij met die auto?

DAAN: Ja.

Ik ben blij.

Hij is mooi.

SOPHIE: Mooi?

Hij is gewoon groot.

DAAN: Groot is ook mooi, Sophie.

RICK: Sophie, jij hebt een kleine auto.

SOPHIE: Ja.

Mijn auto is klein en snel.

DAAN: Klein is niet slecht.

Klein is goed.

RICK: Jouw auto past overal, Sophie.

SOPHIE: Ja!

Ik parkeer heel makkelijk.

DAAN: Dat is waar.

Parkeren is moeilijk voor mij.

RICK: Want jouw auto is te groot.

DAAN: Ja.

Soms past hij niet.

SOPHIE: Dan loop je toch gewoon, Daan?

DAAN: Ja.

Soms loop ik.

Dat is goed.

RICK: Hoeveel mensen passen in jouw auto?

DAAN: Zeven mensen.

Misschien acht.

SOPHIE: Dat is veel!

Wie zijn die mensen?

DAAN: Mijn familie.

Mijn vrienden.

Iedereen.

RICK: Dus je bent een taxi, Daan?

DAAN: Haha!

Ja, een gratis taxi.

SOPHIE: Een gratis taxi met dure benzine.

DAAN: Ja.

Dat is mijn leven.

RICK: En de auto is jouw huis bijna.

DAAN: Bijna!

Ik eet soms in de auto.

SOPHIE: Echt?

Wat eet je in de auto?

DAAN: Brood.

Fruit.

Soms een koek.

RICK: Dat is niet goed.

De auto wordt vies.

DAAN: Ja.

Mijn vrouw is niet blij.

SOPHIE: Dat snap ik.

Ik ben ook niet blij.

DAAN: Oké, oké.

Ik maak hem schoon.

RICK: Wanneer?

Vandaag of morgen?

DAAN: Morgen.

Echt waar.

Morgen.

SOPHIE: Dat zeg je altijd, Daan.

DAAN: Nee!

Deze keer is het echt.

RICK: Wij wachten.

Wij kijken naar jou.

DAAN: Haha.

Jullie zijn goede vrienden.

SOPHIE: Ja.

En jij bent een goede man.

DAAN: Dank je, Sophie.

Jij bent ook goed.

RICK: Oké.

Nog een drankje?

DAAN: Ja!

Ik heb dorst.

SOPHIE: Ik ook.

Een groot glas, alsjeblieft.

RICK: Groot?

Net als jouw auto, Daan?

DAAN: Haha!

Ja.

Net als mijn auto.

SOPHIE: En net zo duur?

DAAN: Nee.

Het bier is goedkoper.

RICK: Gelukkig maar.

Proost, vrienden!

DAAN: Proost!

SOPHIE: Proost!

RICK: Weet je nog, Daan, die keer dat je auto niet startte?

DAAN: Ja!

Dat was vorige week.

De auto was te koud.

SOPHIE: En toen?

DAAN: Toen liep ik naar mijn werk.

Dat was ver.

RICK: En je was te laat.

DAAN: Ja, een uur te laat.

Mijn baas was boos.

SOPHIE: Dat is niet goed.

DAAN: Nee, maar lopen was goed voor mij.

RICK: Zie je, een grote auto is niet altijd goed.

DAAN: Maar hij is mooi.

En groot.

SOPHIE: En duur.

DAAN: Ja, duur.

Maar ik ben blij.

RICK: Oké, Daan.

Nog een vraag.

DAAN: Ja?

RICK: Rijd je morgen met de auto naar je werk?

DAAN: Ja, morgen rijd ik.

De auto is dan warm.

SOPHIE: En dan eet je in de auto?

DAAN: Nee, morgen niet.

Ik maak hem schoon.

RICK: Beloofd?

DAAN: Beloofd!

Echt waar.

SOPHIE: Oké, we geloven je.

DAAN: Dank je.

Jullie zijn echte vrienden.

RICK: Tot de volgende keer.

Ga naar dutchfluency.com voor meer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze