

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo.
Ik ben Ali.
Ik woon in Rotterdam.
Het is ochtend.
De zon schijnt.
Het weer is mooi.
Ik sta op.
Ik was mijn gezicht.
Het water is koud.
Ik droog mijn gezicht.
Ik ga naar de keuken.
Ik maak eten.
Ik eet brood.
Het brood is vers.
Ik eet ook een ei.
Het ei is warm.
Ik drink koffie.
De koffie is warm.
Ik drink nog een koffie.
Ik ben wakker.
Ik heb veel energie.
Energie is goed.
Ik pak mijn tas.
De tas is groen.
Ik ga naar buiten.
Ik loop op straat.
Ik zie een hond.
De hond is bruin.
De hond loopt snel.
De hond speelt met een bal.
De bal is rood.
Ik kijk naar de hond.
Ik lach.
Ik loop ook snel.
Ik ga naar mijn werk.
Ik werk in een winkel.
De winkel is groot.
De winkel is in de stad.
Ik vind mijn werk leuk.
Ik zie Lisa.
Lisa is mijn baas.
Zij is een vrouw.
Zij is heel aardig.
Zij zegt hallo.
Ik zeg hallo.
Wij gaan werken.
Er is veel werk.
Ik pak appels.
De appels zijn rood.
Ik pak bananen.
De bananen zijn geel.
Ik pak peren.
De peren zijn groen.
Ik leg het fruit neer.
Het is mooi.
Een man komt in de winkel.
De man is oud.
De man heeft een jas.
De jas is blauw.
De man wil appels.
Hij vraagt om appels.
Ik geef hem appels.
De man is blij.
Hij zegt dank je.
Ik zeg alsjeblieft.
Ik help veel mensen.
Ik loop door de winkel.
Een vrouw komt binnen.
Zij heeft een kind.
Het kind is klein.
Het kind huilt.
Het kind heeft honger.
Het kind wil een banaan.
Ik geef een banaan.
Het kind eet de banaan.
Het kind lacht.
De vrouw is blij.
Zij zegt dank je.
Ik zeg alsjeblieft.
Ik ben ook blij.
Werk is goed.
Werk geeft energie.
Ik loop weer door de winkel.
Ik zie Lisa.
Lisa drinkt water.
Ik heb ook dorst.
Ik drink ook water.
Het water is koud.
Het is middag.
Wij hebben pauze.
Wij eten brood.
Wij eten kaas.
De kaas is geel.
Wij drinken melk.
De melk is wit.
Het eten is lekker.
Wij praten veel.
Wij lachen veel.
Wij werken weer.
Ik help nog een man.
Ik help nog een vrouw.
De tijd gaat snel.
Het is nu avond.
De winkel gaat dicht.
Lisa zegt tot morgen.
Ik zeg tot morgen.
Ik ga naar huis.
Ik loop op straat.
Het is donker.
Ik zie de maan.
De maan is wit.
Ik zie sterren.
De sterren zijn mooi.
Ik ben bij mijn huis.
Ik open de deur.
Ik ga naar binnen.
Ik zie mijn kat.
De kat is zwart.
De kat heet Minoes.
De kat slaapt.
Ik aai de kat.
De kat is wakker.
De kat is blij.
Ik geef de kat eten.
Ik ga zitten op de bank.
De bank is zacht.
Ik ben moe.
Maar ik ben blij.
Ik heb een baan.
Een baan is werk.
Ik werk heel graag.
Ik krijg veel energie van werk.
Morgen ga ik weer.
Morgen is een nieuwe dag.
Ik ga weer werken.
Ik ga weer appels pakken.
Ik ga weer mensen helpen.
Ik vind het heel leuk.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze