Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Een bootje dat langzaam door Leiden glijdt

Buiten valt de regen zacht tegen het raam.

Binnen is het stil en warm.

Je ligt onder een zachte deken.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

De kamer is rustig.

Het licht is gedempt.

Een klein lampje brandt naast je.

Het geeft een warme gloed.

Alles is veilig.

Alles is kalm.

De regen tikt zacht op het glas.

Soms sneller, dan weer langzamer.

Het klinkt als een liedje zonder woorden.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je mag gewoon hier zijn.

Onder de deken.

In deze kamer.

Met de regen.

Met je adem.

Je ademt in door je neus.

Rustig.

Je ademt uit door je mond.

Nog rustiger.

Je schouders zakken een beetje.

Je voelt het matras onder je.

Zacht en stevig.

De deken ligt licht op je lichaam.

Precies goed.

Niet te warm.

Niet te koud.

Gewoon goed.

Buiten is het donker.

De lucht is grijs en vol regen.

De straten zijn nat.

De ramen glinsteren.

Maar jij bent binnen.

In je kamer.

In het zachte licht.

Bij de regen.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

Je bent hier.

De kamer ruikt naar iets bekends.

Misschien een beetje naar hout.

Een beetje naar schone was.

Een beetje naar thee van lang geleden.

Het is een fijne geur.

Een geur die je kent.

Een geur die blijft.

Je ademt hem in.

Langzaam.

Diep.

En je ademt hem weer uit.

Je ogen zijn zwaar.

Dat is goed.

Je mag ze sluiten.

Even maar.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De regen blijft.

Het licht blijft.

De deken blijft.

Jij blijft.

Alles is goed zoals het is.

In de verte hoor je een geluid.

Misschien een fiets.

Misschien een auto.

Het maakt niet uit.

Het geluid komt en gaat.

Zachtjes.

Het raakt je niet.

Je blijft in je kamer.

In je deken.

In je adem.

Alles is rustig.

Alles is zacht.

De regen valt nog steeds.

Traag en gelijkmatig.

Het ritme is rustig.

Het ritme is veilig.

Je hoeft niet te tellen.

Je hoeft niet te wachten.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Naar de regen.

Naar je adem.

Naar de stilte tussen de druppels.

Je hand ligt op de deken.

Je voelt de stof.

Zacht en warm.

Je vingers zijn ontspannen.

Je arm is zwaar.

Maar niet te zwaar.

Gewoon zwaar genoeg.

Je laat je hand liggen.

Je hoeft hem niet te bewegen.

Hij is goed waar hij is.

Ergens in de stad glijdt een bootje door het water.

Langzaam.

Zachtjes.

Door de grachten van Leiden.

Maar dat is ver weg.

Jij bent hier.

In je kamer.

In je deken.

In je adem.

En dat is genoeg.

Dat is precies genoeg.

De regen wordt stiller.

Of misschien word jij stiller.

Het maakt niet uit.

Het is allebei goed.

De kamer is warm.

Het licht is zacht.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

Je mag blijven.

Je mag blijven.

Je mag hier liggen.

De deken ligt over je heen.

De stof is zacht.

Je voelt hem bij je kin.

Je voelt hem bij je handen.

Hij is warm.

Hij is rustig.

Hij beweegt niet.

Jij hoeft ook niet te bewegen.

Buiten valt de regen nog steeds.

Traag en gelijkmatig.

Hetzelfde ritme als daarnet.

Hetzelfde zachte geluid.

Je hoeft niet te tellen.

Je hoeft niet te wachten.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Naar de regen.

Naar je adem.

Naar de stilte tussen de druppels.

Het bootje glijdt door het water.

Ver weg.

In de grachten van Leiden.

Langzaam.

Zachtjes.

Het water is donker.

Het water is stil.

De boot maakt kleine rimpels.

Kleine golfjes.

Ze verdwijnen meteen weer.

Het water wordt weer vlak.

Alles wordt weer rustig.

Ergens langs de gracht staat een oude boom.

Zijn takken hangen over het water.

De bladeren zijn nat.

Ze glinsteren een beetje in het zachte licht.

Een druppel valt van een blad.

Hij valt in het water.

Een klein geluid.

Dan is het weer stil.

Het bootje gaat verder.

Langzaam.

Zachtjes.

Het heeft geen haast.

Het hoeft nergens te zijn.

Het mag gewoon drijven.

Het mag gewoon zijn.

Net als jij.

Jij hoeft ook nergens te zijn.

Je mag gewoon liggen.

Je mag gewoon ademen.

De regen valt op het water.

Kleine kringen.

Ze komen en gaan.

Ze komen en gaan.

Het ritme is rustig.

Het ritme is veilig.

Je hoeft niet te tellen.

Je hoeft niet te wachten.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Naar de regen.

Naar je adem.

Naar de stilte tussen de druppels.

Je hand ligt op de deken.

Je voelt de stof.

Zacht en warm.

Je vingers zijn ontspannen.

Je arm is zwaar.

Maar niet te zwaar.

Gewoon zwaar genoeg.

Je laat je hand liggen.

Je hoeft hem niet te bewegen.

Hij is goed waar hij is.

De kamer is warm.

Het licht is zacht.

Misschien komt het van een lamp.

Misschien van buiten.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is rustig.

Het blijft zo.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Het bootje is nu verder.

Het glijdt onder een brug door.

De brug is oud.

De stenen zijn nat.

Ze glinsteren een beetje.

Aan de andere kant van de brug is het water weer open.

Het water is rustig.

Het water is stil.

Het bootje gaat verder.

Langzaam.

Zachtjes.

Jij bent hier.

In je kamer.

In je deken.

In je adem.

Dat is genoeg.

Dat is precies genoeg.

De regen wordt stiller.

Of misschien word jij stiller.

Het maakt niet uit.

Het is allebei goed.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

Je mag blijven.

Je mag blijven.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De deken ligt om je heen.

Zacht en warm.

Je voelt de stof tegen je huid.

Je voelt de warmte.

Het is goed zo.

Het bootje glijdt verder.

Langzaam.

Het water draagt het.

Het water is stil.

Het water beweegt bijna niet.

Alleen kleine rimpels.

Kleine golfjes.

Ze tikken zacht tegen de zijkant van het bootje.

Tik.

Tik.

Heel zacht.

Bijna geen geluid.

Gewoon een zacht tikken.

Je hoort het bijna niet.

Maar het is er.

Het is rustig.

Boven het water hangt licht.

Zacht licht.

Het komt van de lucht.

De lucht is grijs en zacht.

Geen felle zon.

Geen hard licht.

Alleen zacht grijs.

Het licht valt op het water.

Het water glanst een beetje.

Niet fel.

Niet scherp.

Gewoon zacht.

Het licht raakt ook de huizen langs de gracht.

De huizen zijn oud.

Ze staan dicht bij elkaar.

Ze kijken uit over het water.

Ze zijn stil.

Alles is stil.

Het bootje gaat verder.

Het glijdt langs een muur.

De muur is van steen.

De stenen zijn nat van de regen.

Ze glinsteren een beetje.

Heel even.

Dan niet meer.

Het bootje gaat verder.

Geen haast.

Geen doel.

Gewoon verder.

Dat is genoeg.

Jij ligt in je kamer.

In je deken.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Je voelt je lichaam.

Het is zwaar.

Maar niet te zwaar.

Gewoon zwaar genoeg.

Je benen zijn zwaar.

Je armen zijn zwaar.

Je hoofd is zwaar.

Maar het is een fijn gevoel.

Een zacht gevoel.

Je hoeft niets te dragen.

De deken draagt jou.

De kamer draagt jou.

De stilte draagt jou.

De regen valt nog steeds.

Zacht.

Regelmatig.

Het geluid is als een deken.

Een deken van geluid.

Het bedekt alles.

Het maakt alles zacht.

Je hoort de regen op het raam.

Je hoort de regen op het dak.

Je hoort de regen in de verte.

Het is overal.

En het is nergens.

Het is gewoon hier.

Bij jou.

Het bootje is nu bijna uit het zicht.

Maar je hoeft het niet te zien.

Je weet dat het er is.

Het glijdt door Leiden.

Langzaam.

Zachtjes.

Het water is rustig.

De lucht is zacht.

De huizen zijn stil.

Alles is goed.

Jij bent hier.

In je kamer.

In je deken.

In je adem.

Dat is genoeg.

Dat is precies genoeg.

Je voelt de stof.

Zacht en warm.

Je vingers zijn ontspannen.

Je arm is zwaar.

Maar niet te zwaar.

Gewoon zwaar genoeg.

Je laat je hand liggen.

Je hoeft hem niet te bewegen.

Hij is goed waar hij is.

De kamer is warm.

Het licht is zacht.

Misschien komt het van een lamp.

Misschien van buiten.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is rustig.

Het blijft zo.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

De regen wordt stiller.

Of misschien word jij stiller.

Het maakt niet uit.

Het is allebei goed.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

Je mag blijven.

Je mag blijven liggen.

Je mag blijven ademen.

In en uit.

In en uit.

Het bootje gaat verder.

Jij blijft hier.

En dat is goed.

Dat is precies goed.

Het water draagt het bootje verder.

Heel langzaam.

Het maakt geen haast.

Het hoeft nergens te zijn.

Het is er gewoon.

Zoals jij hier bent.

Gewoon.

Precies hier.

De grachten zijn smal.

De huizen staan dichtbij.

Hun stenen zijn oud en warm van kleur.

Rood.

Bruin.

Zacht geel.

Het licht raakt de muren.

Voorzichtig.

Alsof het niets wakker wil maken.

Er hangt een stilte boven het water.

Een zachte stilte.

Geen lege stilte.

Een stilte die vol is.

Vol van kleine dingen.

Een druppel die valt.

Een blad dat beweegt.

Een brug die langzaam dichterbij komt.

Het bootje glijdt onder de brug door.

Even is het donker.

Dan weer licht.

Niet spannend.

Gewoon even anders.

Het water klotst zacht tegen de kant.

Tik.

Tik.

Tik.

Een rustig geluid.

Een geluid dat blijft.

Jij ligt nog steeds in je deken.

Je deken is zacht.

Je deken is warm.

Je voelt hem om je heen.

Als een rustige wolk.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je mag hier blijven.

Hier is het goed.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Je hoeft je adem niet te sturen.

Hij gaat vanzelf.

Zacht en rustig.

Zoals het water.

Zoals het bootje.

Alles beweegt rustig.

Alles mag rustig zijn.

De regen is bijna weg.

Of misschien hoor je hem niet meer.

Dat maakt niet uit.

De lucht blijft zacht.

De kamer blijft warm.

Het licht blijft rustig.

Niets verandert snel.

Niets hoeft te veranderen.

Het bootje gaat verder.

Langs een huis met een scheef dak.

Langs een boom die over het water hangt.

De takken raken bijna het water.

Bijna.

Maar niet helemaal.

Ze blijven zweven.

Zacht en stil.

Een eend zwemt rustig mee.

Even maar.

Dan draait ze weg.

Ze verdwijnt achter een hoek.

Het water wordt weer stil.

Het bootje glijdt verder.

Langzaam.

Zachtjes.

Zonder doel.

Zonder haast.

Jij bent hier.

In je kamer.

In je deken.

In je adem.

Dat is genoeg.

Dat is precies genoeg.

Je voelt de stof.

Zacht en warm.

Je vingers zijn ontspannen.

Je arm is zwaar.

Maar niet te zwaar.

Gewoon zwaar genoeg.

Je laat je hand liggen.

Je hoeft hem niet te bewegen.

Hij is goed waar hij is.

De kamer is warm.

Het licht is zacht.

Misschien komt het van een lamp.

Misschien van buiten.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is rustig.

Het blijft zo.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

De regen wordt stiller.

Of misschien word jij stiller.

Het maakt niet uit.

Het is allebei goed.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

Je mag blijven.

Je mag blijven liggen.

Je mag blijven ademen.

In en uit.

In en uit.

Het bootje gaat verder.

Jij blijft hier.

En dat is goed.

Dat is precies goed.

Het water is rustig.

De lucht is zacht.

De huizen zijn stil.

Alles is goed.

Alles mag goed zijn.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zijn.

Je bent er.

Dat is genoeg.

De nacht is zacht.

De deken is warm.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Het bootje glijdt door Leiden.

Langzaam.

Zachtjes.

En jij glijdt mee.

Op je eigen manier.

Rustig.

Veilig.

Hier.

Het water draagt het bootje verder.

Geen haast.

Geen doel.

Alleen water dat zachtjes klopt tegen de zijkant.

Het klinkt als een hartslag.

Rustig.

Regelmatig.

Het gaat vanzelf.

De grachten liggen er stil bij.

De huizen staan met hun voeten in het water.

Ze zeggen niets.

Ze hoeven niets te zeggen.

Hun ramen zijn donker of heel zacht verlicht.

Achter sommige ramen brandt een klein licht.

Iemand leest misschien.

Iemand slaapt al.

Het maakt niet uit.

Het licht is er.

Zacht en warm.

Het bootje glijdt onder een brug door.

De brug is oud en laag.

Even is het donker.

Dan komt het licht terug.

Nog steeds zacht.

Nog steeds rustig.

Het water rimpelt heel even.

Daarna is het weer glad.

Alles komt tot rust.

Alles vindt zijn plek.

Je adem gaat mee met het water.

In en uit.

In en uit.

Het water beweegt ook.

Op en neer.

Heel langzaam.

Het bootje wiegt een beetje.

Niet eng.

Alleen zacht.

Als een wieg.

Als een deken die je vasthoudt.

De regen is nu bijna weg.

Alleen een enkele druppel valt nog.

Tik.

Op het water.

Tik.

Op het dak van het bootje.

Tik.

Dan stilte.

De stilte is niet leeg.

De stilte is vol.

Vol van rust.

Vol van ruimte.

Je hoeft er niets mee te doen.

Je mag er gewoon in liggen.

De lucht boven Leiden is zacht.

Geen sterren te zien.

Misschien wel.

Maar het maakt niet uit.

De lucht is donker en vriendelijk.

Als een deken over de stad.

Over de huizen.

Over het water.

Over het bootje.

Over jou.

Het bootje gaat verder.

Langs een muur van baksteen.

Langs een boom die over het water hangt.

De takken raken bijna het water.

Ze bewegen niet.

Er is geen wind.

Alles is stil.

Alles is goed.

Je ligt nog steeds in de kamer.

De deken is warm.

Het licht is zacht.

De regen is bijna stil.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Het bootje glijdt door Leiden.

Jij glijdt mee.

Op je eigen manier.

Rustig.

Veilig.

Hier.

Misschien denk je aan niets.

Dat is goed.

Misschien denk je aan iets kleins.

Een woord.

Een beeld.

Een kleur.

Dat is ook goed.

Je hoeft niets vast te houden.

Je mag het laten gaan.

Het water neemt het mee.

Zachtjes.

Zonder geluid.

De nacht is lang.

Maar niet te lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Je mag erin blijven.

Je mag erin liggen.

Je mag erin ademen.

In en uit.

In en uit.

Het bootje is nu bijna uit het zicht.

Maar het is er nog.

Het glijdt verder.

Door de grachten.

Onder de bruggen.

Langs de stille huizen.

Het water is rustig.

De lucht is zacht.

De huizen zijn stil.

Alles is goed.

Alles mag goed zijn.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zijn.

Je bent er.

Dat is genoeg.

De deken is warm.

Het licht is zacht.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Het bootje glijdt door Leiden.

Langzaam.

Zachtjes.

En jij glijdt mee.

Op je eigen manier.

Rustig.

Veilig.

Hier.

Hier.

In deze kamer.

Met de deken om je heen.

En het licht dat zacht blijft.

Je hoeft niets te veranderen.

Alles mag blijven zoals het is.

Het bootje is nu ver weg.

Maar je kunt het nog voelen.

Niet met je ogen.

Niet met je handen.

Maar op een andere manier.

Diep vanbinnen.

Waar het stil is.

Waar het warm is.

Waar niets hoeft.

De grachten van Leiden zijn nog steeds daar.

Het water beweegt langzaam.

Onder de bruggen door.

Langs de kades.

Langs de huizen met hun hoge ramen.

De ramen zijn donker.

Maar niet leeg.

Achter elk raam is een kamer.

En in elke kamer is rust.

Iemand slaapt.

Iemand leest.

Iemand kijkt naar buiten.

Naar het water.

Naar de nacht.

Naar niets.

Jij hoeft niet te kijken.

Je hoeft niet te lezen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

Hier.

In het zachte licht.

Onder de warme deken.

Je adem gaat vanzelf.

In en uit.

In en uit.

Langzaam.

Regelmatig.

Als het water.

Als het bootje.

Als de nacht.

Soms hoor je een geluid.

Heel zacht.

Een fiets die over een brug gaat.

Ver weg.

Een deur die dichtvalt.

Nog verder weg.

Een vogel die heel even iets zegt.

En dan weer stil is.

Deze geluiden zijn niet belangrijk.

Ze zijn er gewoon.

Ze komen en ze gaan.

Net als je gedachten.

Net als je adem.

Net als het water.

Je hoeft ze niet vast te houden.

Je hoeft ze niet weg te duwen.

Laat ze maar komen.

Laat ze maar gaan.

Het water neemt ze mee.

Zachtjes.

Zonder haast.

Zonder geluid.

Het bootje is nu misschien al bij de volgende brug.

Of bij de volgende gracht.

Of het is gestopt.

Dat weet je niet.

Dat hoef je niet te weten.

Het bootje is er.

Jij bent er.

Dat is genoeg.

De deken ligt zacht op je.

Hij is warm.

Hij is niet zwaar.

Hij is precies goed.

Je voelt hem op je armen.

Op je benen.

Op je buik.

Overal waar je hem voelt.

En waar je hem niet voelt.

Daar is hij ook.

Zacht.

Warm.

Veilig.

Het licht in de kamer is nog steeds zacht.

Het beweegt niet.

Het knippert niet.

Het is gewoon daar.

Net als jij.

Net als de nacht.

Net als het water in Leiden.

Alles is stil.

Alles is rustig.

Alles mag zo blijven.

Misschien denk je aan iets kleins.

Een woord.

Een beeld.

Een kleur.

Een geur.

Iets van lang geleden.

Of iets van vandaag.

Dat is goed.

Je hoeft het niet vast te houden.

Je hoeft het niet te begrijpen.

Laat het maar drijven.

Op je adem.

Op het water.

Op de nacht.

Het water in Leiden is donker.

Maar niet koud.

Het is zacht.

Het draagt het bootje.

Het draagt de gedachten.

Het draagt de stilte.

En jij ligt hier.

In je eigen kamer.

In je eigen bed.

Onder je eigen deken.

En toch ben je ook daar.

Op het water.

In het bootje.

In de nacht.

Op een rustige manier.

Een veilige manier.

Een manier die alleen van jou is.

Je adem gaat langzaam.

In en uit.

In en uit.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zijn.

Je bent er.

Dat is genoeg.

De nacht is lang.

Maar niet te lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Het bootje glijdt door Leiden.

Langzaam.

Zachtjes.

En jij glijdt mee.

Op je eigen manier.

Rustig.

Veilig.

Hier.

Het water is stil.

Het bootje beweegt bijna niet.

Toch glijdt het verder.

Langs de huizen.

Langs de bomen.

Langs de kleine bruggen.

Alles gaat langzaam.

Alles gaat zacht.

Je hoort het water tegen de zijkant van het bootje.

Transcript en quiz · gratis

De quiz is gratis. Log in voor flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Audio