Alle podcasts

The Wadden Sea at Sunset

Hallo, ik ben Rick.

Vanavond gaan we samen op reis.

We gaan naar een bijzondere plek in Nederland.

We gaan naar het Wad.

Het Wad is een groot, plat stuk zand bij de zee.

Doe nu rustig je ogen dicht.

Adem heel langzaam in en uit.

Je ligt warm en veilig in je bed.

Je hoeft nergens heen vanavond.

Laat je schouders zacht naar beneden zakken.

Voel je rug zwaar op het matras.

Laat je benen los en zwaar.

Voel je voeten warm onder de deken.

Je hoeft niets te doen vanavond.

Je hoeft alleen te luisteren en te voelen.

Adem nog een keer rustig in.

Adem nog een keer rustig uit.

Goed zo.

Nu gaan we samen op reis.

Stel je voor dat je buiten staat.

Je staat aan het begin van een lang zandpad.

Voor je ligt het wad.

Het wad is zo groot als je ogen kunnen zien.

De lucht boven je is heel hoog.

De lucht heeft veel zachte kleuren.

Er is geel, roze, oranje en een beetje blauw.

De kleuren lopen rustig in elkaar over.

In het midden van de lucht hangt de zon.

De zon hangt laag boven het water.

De zon is groot en rond en warm.

De zon is vanavond heel zacht oranje.

De zon zakt heel langzaam naar beneden.

Zakken betekent rustig naar beneden gaan.

Je kunt rustig naar de zon kijken.

De zon is nu niet te fel voor je ogen.

Onder je voeten ligt zand.

Het zand is zacht, koel en een beetje nat.

Je hoort de zee in de verte.

De zee is heel ver weg nu.

Dit heet eb.

eb betekent dat het water wegtrekt van het strand.

Bij eb is het wad groot en droog.

Je kunt heel ver over het zand lopen.

Over een paar uur komt het water terug.

Dan heet het vloed.

Vloed is als het water weer komt.

Maar nu is het nog lang eb.

Je ademt de lucht van de zee in.

De lucht ruikt fris.

en een beetje zout.

De lucht ruikt ook een beetje naar wier.

Wier is een plant die in de zee groeit.

Overal op het zand ligt wier.

Het wier is donkergroen en donkerbruin.

Je stapt voorzichtig om het wier heen.

Het zand is stevig onder je voeten.

Je loopt nu verder het wad op.

Elke stap is rustig en klein.

EN

Je voeten maken een zacht geluid.

Het zand zegt sssst, sssst onder je voeten.

Je voelt kleine patronen in het zand.

De golven hebben deze patronen gemaakt.

De patronen lijken op lijntjes.

De lijntjes lopen allemaal dezelfde kant op.

Je gaat even op je hurken zitten.

Je raakt het zand met je hand aan.

Het zand is koud en zacht.

Het zand voelt als fluweel.

Fluweel is een stof die heel zacht is.

EN

Je pakt een beetje zand in je hand.

Het zand loopt langzaam door je vingers.

Het zand valt weer op de grond.

Je staat weer op.

Je loopt rustig verder.

Je blijft even staan en kijkt rond.

Het wad is heel erg groot.

Je ziet alleen zand, lucht en water.

Er zijn geen huizen of bomen te zien.

Alles is heel plat en heel open.

EN

Je voelt je klein onder de grote lucht, maar je voelt je ook heel rustig.

Hier is genoeg ruimte voor alles.

Hier is ruimte voor je lichaam.

Hier is ruimte voor je gedachten.

Hier is ruimte voor je adem.

Je ademt diep in en langzaam uit.

Je luistert naar de wind.

De wind is heel zacht vanavond.

De wind fluistert langs je oren.

Fluisteren is heel zachtjes praten.

EN

Je hoort geen auto's.

Je hoort geen mensen.

Je hoort alleen de wind en de zee.

en je hoort je eigen rustige adem.

Hoog in de lucht zie je vogels.

Een grote groep vogels vliegt naar het oosten.

De vogels vliegen in een lange V.

De V-vorm helpt de vogels om makkelijk te vliegen.

De vogels gaan naar huis.

De vogels zoeken een plek om te slapen.

Je telt langzaam mee.

Een, twee, drie.

Je telt wel twintig of dertig vogels.

De vogels roepen zacht naar elkaar.

Hun roep klinkt als een zachte fluit.

Je volgt de vogels met je ogen.

De vogels worden steeds kleiner.

Na een tijdje zijn de vogels weg.

De vogels verdwijnen in de oranje lucht.

Verdwijnen betekent langzaam uit het zicht gaan.

De lucht is nu weer leeg.

Maar dan komt er weer een groep.

Nog meer vogels vliegen naar huis.

Dit zijn kleine vogels met lange poten.

Ze roepen tjuut, tjuut, tjuut.

De kleine vogels vliegen snel en laag.

Ze vliegen over het natte zand.

Dan landen ze heel even.

Landen betekent op de grond komen.

De vogels zoeken eten in het zand.

Ze prikken met hun snavel in het zand.

Hun snavel is lang en een beetje gebogen.

Met de snavel pakken ze kleine wormpjes.

Je kijkt stil naar de vogels.

Je beweegt niet, zodat ze niet schrikken.

Na een paar minuten vliegen de vogels weer weg.

De vogels gaan naar hun slaapplek.

Je loopt weer verder.

Het zand is nu nog natter.

Je ziet kleine plassen water.

In de plassen zie je de lucht.

Dit heet weerspiegelen.

Weerspiegelen betekent dat je iets ook in het water ziet.

Het is alsof er twee lucht is, één boven je en één onder je.

Je blijft staan bij een kleine plas.

In de plas zie je ook jezelf.

Je ziet je gezicht in het water.

Je ziet de oranje lucht om je heen.

Het beeld is heel zacht en rustig.

Je voelt je kalm en in vrede.

Je loopt om de plas heen.

Je wilt het stille water niet storen.

Je ziet schelpen op de grond.

De schelpen zijn klein en mooi.

Sommige schelpen zijn wit.

Andere schelpen zijn roze of bruin.

Een schelp heeft de vorm van een waaier.

Een andere schelp is lang en dun.

Je bukt je en pakt een schelp.

De schelp is koud en glad in je hand.

Je houdt de schelp bij je oor.

Je hoort een zacht, suizend geluid.

Het suizen lijkt op de zee.

Maar de zee is eigenlijk heel ver weg.

Je legt de schelp weer terug op het zand.

De schelp hoort bij het wad.

Je kijkt weer naar de lucht.

De wolken hebben mooie vormen.

Een wolk lijkt op een zacht kussen.

Een andere wolk lijkt op een witte boot.

Een kleine wolk lijkt op een hart.

De wolken bewegen heel langzaam.

De wind duwt de wolken naar het oosten.

De wolken veranderen steeds een beetje van vorm.

Wolken zijn nooit helemaal hetzelfde.

Ze worden altijd weer anders.

Je loopt voorzichtig verder over het zand.

Soms voel je iets hards onder je voet.

Het is een steen of een grote schelp.

Alles is koud en een beetje glad.

In een andere plas zie je iets bewegen.

Het is een heel klein visje.

Het visje heeft een zilveren kleur.

Het visje zwemt in rondjes in de plas.

Het visje wacht op het water.

Bij vloed kan het visje weer vrij zwemmen.

Je glimlacht naar het kleine visje.

Het visje weet van niets en zwemt door.

Bij een andere plas zie je een krab.

De krab is klein en bruin.

De krab loopt zijwaarts over het zand.

Zijwaarts is naar de zijkant.

De krab heeft twee kleine scharen.

Met de scharen kan de krab zich verdedigen.

Je staat heel stil zodat de krab niet schrikt.

De krab kijkt even naar je.

Dan rent de krab snel naar een plas.

De krab verstopt zich onder een schelp.

Je lacht zachtjes in jezelf.

Het wad is vol met kleine, levende dingen.

Je loopt weer langzaam verder.

Je ziet iets liggen op het zand.

Het is een stuk oud hout.

Het hout is rond en glad.

Dit hout is lang geleden naar land gedreven.

Drijven betekent op het water bewegen.

Je gaat op het hout zitten.

Het hout is stevig en toch een beetje zacht.

Je kijkt uit over het wad.

Van deze plek zie je alles heel goed.

Je ademt diep in en uit.

Je voelt de avond om je heen.

Je voeten rusten op het zand.

Je handen liggen op je schoot.

Je laat je schouders zakken.

Je hoofd valt een beetje naar voren.

Dit is een fijn moment om te rusten.

Je hebt helemaal geen haast vanavond.

Je hebt alle tijd van de wereld.

Je hoeft nergens heen.

Na een tijdje sta je weer op.

Je loopt weer rustig verder.

verder.

De zon is nu lager dan daarnet.

Het licht is nu dieper oranje.

De wolken in de lucht zijn roze en paars.

Alles krijgt een warme kleur.

Je armen en je handen glimmen goudgeel.

Glimmen betekent een beetje schijnen.

Het natte zand glimt als een spiegel.

Je ziet je eigen schaduw op het zand.

Je schaduw is heel lang.

De avondzon maakt lange schaduwen.

Je schaduw is bijna drie keer zo lang als jij.

Je vindt dit een grappig gezicht, maar je denkt er niet lang over na.

Je blijft rustig ademen.

Adem in, je voelt de koele lucht in je neus.

Adem uit, je voelt de warme lucht op je lippen.

Je schouders zijn los.

Je rug is recht, maar niet gespannen.

Je benen zijn moe, maar rustig.

Je voeten staan stevig op de grond.

Dan zie je iets in de verte.

Er ligt iets op een droge zandbank.

Een zandbank is een klein, plat stuk zand.

Op het wad zijn veel zandbanken.

Op de zandbank ligt een dier.

Het dier is grijs en dik.

Het is een zeehond.

Zeehonden zwemmen in de zee en rusten op het zand.

De zeehond ligt stil en rustig.

De zeehond kijkt heel even naar je.

De zeehond heeft grote, zachte ogen.

De ogen zijn rustig en vriendelijk.

Je staat heel stil.

Je wilt de zeehond niet laten schrikken.

De zeehond legt zijn kop weer neer.

De zeehond gaat ook slapen.

Je kijkt nog even naar de zeehond.

De zeehond ademt langzaam in en uit.

Met elke adem gaat zijn buik omhoog.

Met elke adem gaat zijn buik weer omlaag.

Je adem wordt langzamer, net als die van de zeehond.

Jullie ademen nu bijna hetzelfde.

Je glimlacht zachtjes.

De zeehond slaapt, net als jij straks.

Je loopt nog een klein stukje verder.

In de verte zie je nu een oude houten boot.

De boot ligt op het droge zand.

De boot wacht op de zee.

Bij vloed komt het water terug.

Dan kan de boot weer varen.

De boot is oud en van hout.

De verf is donkerblauw en een beetje afgesleten.

Op de zijkant staat een naam.

De naam is de zeemeeuw.

Een zeemeeuw is een witte vogel.

Zeemeeuwen wonen aan de zee.

Je blijft even bij de boot staan.

Je raakt het hout zacht aan.

Het hout is warm van de zon.

Het hout voelt vriendelijk onder je hand.

Naast de boot staat een oude man.

De man heeft een dikke blauwe trui.

De man heeft ook een warme muts op.

Zijn gezicht is rustig en vriendelijk.

De man kijkt stil naar de zon.

Hij zegt niets en beweegt niet veel.

Je zwaait heel zacht naar de man.

De man zwaait terug met een kleine lach.

Dan kijken jullie samen naar de zon.

Niemand zegt iets.

Op het wad is stilte al genoeg.

Hier praten de lucht en de zee al.

Na een tijdje knikt de man naar je.

Het is een rustige, warme knik.

Je knikt terug.

Dan loop je verder.

Heel rustig.

De zon raakt nu bijna de zee.

De onderkant van de zon wordt plat.

Het is alsof de zee de zon kust.

De kleuren worden dieper en warmer.

Je ademt langzaam in.

Je ademt langzaam uit.

Je hart klopt rustig.

Je hoofd is leeg en licht.

Je kijkt achter je en ziet je voetsporen.

De sporen lopen ver terug over het zand.

Over een paar uur zijn je sporen weg.

De zee komt terug en wast het zand schoon.

Dat vind je mooi.

Niets blijft voor altijd op het wad.

Alles komt en gaat, zoals de zee.

Alles komt en gaat, zoals de wolken.

Je ademt weer rustig in.

Je ademt weer rustig uit.

Langzaam zakt de zon steeds dieper.

Nu is er nog maar een halve zon te zien.

Het water glimt als goud.

De kleine golfjes in de verte schitteren.

Schitteren is heel fel glimmen.

EN

De golfjes zijn als kleine lichtjes op het water.

Je hoort nu heel zacht een schip.

Toet, zegt het schip in de verte.

Het geluid gaat langzaam over het water.

Het geluid is laag en vriendelijk.

Dan is het weer stil.

Alleen de wind blijft fluisteren.

Je hoort de zee in de verte, zegt het water.

Dit geluid lijkt op je eigen adem.

Adem in, je lichaam en de zee ademen samen.

Je bent een deel van dit rustige moment.

De zon zakt nog een stukje dieper.

Nu is er nog een derde zon te zien.

Het licht is nu dieproze.

De lucht ziet er heel zacht uit.

Hoog aan de hemel zie je al een ster.

De ster is heel klein en wit.

Straks komen er meer sterren.

Maar nu is er nog wat licht over.

Je kijkt nog een keer goed rond.

Je wilt dit goed onthouden.

De grote lucht.

Het platte zand.

De zee heel ver weg.

De zachte kleuren van de avond.

De stilte die groot en warm is.

Dit is het wad bij zonsondergang.

Dan zakt de zon helemaal in de zee.

Het laatste stukje zon verdwijnt rustig.

Voor een moment is er nog veel licht.

Dan wordt alles langzaam wat donkerder.

De kleuren in de lucht blijven nog.

Roze, oranje, paars en donkerblauw.

Langzaam worden de kleuren zachter.

De lucht wordt diep blauw.

Je draait je nu rustig om.

Je gaat terug naar het pad.

Je loopt langzaam, zonder haast.

Elke stap is klein en rustig.

EN

Het zand voelt nu koeler onder je voeten.

Je trekt je jas iets dichter om je heen.

In de verte zie je de duinen.

De duinen zijn kleine heuvels van zand.

Op de duinen groeit lang groen gras.

Het gras beweegt zachtjes in de wind.

Achter de duinen liggen kleine huisjes.

In een paar huisjes brandt al een licht.

Het licht is warm en geel.

Iemand is thuis en kookt misschien eten.

EN

Jij bent ook bijna thuis.

Jij ligt al warm en zacht in bed.

Je deken is dik en lekker.

Je kussen is zacht onder je hoofd.

Je ademt rustig.

Je bent veilig.

Op het wad zie je nog iets anders.

In de verte brandt een klein licht.

Het licht komt van een vuurtoren.

Een vuurtoren is een hoog gebouw bij de zee.

De vuurtoren geeft licht aan schepen.

Zo kunnen schepen veilig varen in de nacht.

Het licht van de vuurtoren draait rond.

Eerst naar links, dan naar rechts, dan weer terug.

Het licht is als een vriend in de nacht.

Het licht zegt, je bent niet alleen.

Je glimlacht even.

Dan loop je weer rustig verder.

Het pad naar de dijk is niet lang.

Een dijk is een lange, hoge muur van aarde.

De dijk houdt het water buiten.

Bij vloed blijft het water achter de dijk.

Je loopt langzaam het pad op.

Achter je ligt het hele wad in het zachte licht.

Je draait je nog een keer om.

Je zegt in je hoofd dankjewel tegen het wad.

Dankjewel voor de stilte.

Dankjewel voor de vogels.

Dankjewel voor de zon.

Dank je wel voor de zachte avond.

Dan loop je weer verder.

Je voeten voelen zwaar, maar tevreden.

Je bent moe, op een fijne manier.

Je lichaam is klaar voor slaap.

Langzaam voel je weer dat je in bed ligt.

Je voelt je deken om je heen.

Je voelt je kussen onder je hoofd.

Je voelt de warmte van je eigen lichaam.

Je hoeft nu niet meer te lopen.

Je ligt stil en zacht in bed.

Maar de beelden van het wad blijven.

In je hoofd zie je de oranje lucht.

Je ziet nog de vogels in de verte.

Je ziet nog het rustige water.

Je hoort nog de wind en de zee, zegt het water.

Nu tellen we samen je adem.

EN

Adem in en tel 1.

Adem uit en tel 2.

Adem in en tel 3.

Adem uit en tel 4.

Adem in en tel 5.

Adem uit en tel 6 en tel 7.

Adem uit en tel 8.

Je bent rustig en langzaam.

Je ademt weer in.

Rust komt bij je naar binnen.

Je ademt weer uit.

Drukte en gedachten gaan weg.

Je ademt weer in.

Je bent veilig.

Je ademt weer uit.

Je bent warm.

Je ademt weer in.

Je bent rustig.

Je ademt uit. Je bent moe.

Je voelt je armen langs je lichaam.

Je armen zijn zwaar en los.

Je voelt je benen op het matras.

Je benen zijn zwaar en los.

Je voelt je rug zacht en warm.

Je rug ligt rustig op het bed.

Je voelt je hoofd zwaar op het kussen.

Je hoofd denkt steeds minder.

Je gedachten worden langzamer.

Je gedachten worden zachter.

Je denkt nog even aan de schelp.

De schelp was glad en koud.

Je denkt nog even aan de kleine krab.

De krab liep zijwaarts door het zand.

Je denkt nog even aan de zeehond.

De zeehond had zachte, rustige ogen.

Je denkt nog even aan de oude man.

De man knikte rustig naar je.

Je denkt nog even aan de vogels.

De vogels vlogen naar huis, net als jij.

En dan denk je nergens meer aan.

Je hoofd wordt leeg en zacht.

Je hoort alleen nog het water in je hoofd, zegt het water, zegt de zee, zegt de wind.

Je lichaam wiegt heel zachtjes.

Wiegen is zachtjes heen en weer bewegen.

EN

De zee wiegt je in slaap.

Zoals een moeder haar baby wiegt.

Je voelt je heel veilig.

Je voelt je heel warm.

Je voelt je heel rustig.

Je voelt je heel tevreden.

De zon is nu helemaal weg.

Maar je hebt de zon gezien.

De vogels zijn nu thuis.

Je hebt de vogels naar huis zien vliegen.

Het water is nu stil.

Je hebt het water horen fluisteren.

En jij?

Jij gaat nu slapen.

Jij bent nu ook thuis, in je bed.

Je ogen blijven dicht.

Je ademt rustig in en uit.

De wereld buiten is stil.

De nacht is zacht en warm.

Adem in.

Laat alles los.

Alles is goed.

EN

De zon slaapt in de zee.

De vogels slapen in de duinen.

De zeehond slaapt op het zand.

De oude man slaapt in zijn huisje.

Het water slaapt onder de sterren.

De wind wordt zachter en zachter.

En jij slaapt ook bijna.

Je ligt warm in je bed.

Je ogen zijn helemaal dicht.

Je adem is diep en rustig.

Je lichaam is helemaal los.

Je hoofd is helemaal leeg.

Er zijn geen gedachten meer.

Er is alleen rust.

Er is alleen de zachte avond.

Er is alleen je adem.

Adem in.

Je ogen worden zwaar.

Je ademt langzaam.

Je bent rustig.

Je bent veilig.

Je ogen worden zwaar.

Je ademt langzaam.

Je bent rustig.

Slaap zacht.

Slaap zacht.

Slaap heel zacht.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze