

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Welkom bij deze rustige avond.
Ik ben blij dat je er bent.
Vanavond gaan we samen wandelen.
ENWe gaan niet snel, we gaan heel langzaam.
ENSluit je ogen voorzichtig.
Adem rustig in door je neus.
Adem langzaam uit door je mond.
Voel hoe de lucht warm je mond verlaat.
Adem nog een keer in.
Adem nog een keer uit.
Je ligt of zit op een zachte plek.
Je bent veilig waar je nu bent.
Je lichaam mag helemaal rusten.
Je hoofd mag helemaal rusten.
Deze avond is voor jou.
Alleen voor jou, lieve vriend.
We gaan naar een heel bijzondere plek.
We gaan naar Kinderdijk.
Kinderdijk is een klein Nederlands dorp.
Het dorp ligt in een vlak gebied.
Vlak betekent niet hoog en niet laag.
Het land rond Kinderdijk is vlak en groen.
In Kinderdijk staan oude molens.
De molens staan in een lange rij.
Er staan wel negentien molens.
Negentien molens bij elkaar is heel bijzonder.
ENDe molens van Kinderdijk zijn heel oud.
De molens zijn honderden jaren oud.
Vroeger pompten de molens water weg.
Zonder pompen werd het land te nat.
Nu zijn de molens een mooi beeld.
Mensen komen uit de hele wereld om ze te zien.
Maar vanavond is het heel stil.
Er zijn bijna geen mensen, alleen jij.
Stel je voor, je staat op een smal pad.
Het pad loopt naast een groot water.
Het water is rustig en glad.
Het water lijkt op een grote spiegel.
In de spiegel zie je de lucht.
De lucht is roze en zacht oranje.
De zon gaat nu langzaam onder.
De avond komt rustig dichterbij.
Een zachte wind strijkt over je wangen.
Strijken betekent heel zacht aanraken.
De wind ruikt naar water en gras.
De lucht is fris maar niet koud.
Je haalt heel diep adem.
De koele lucht vult je longen.
Je ademt langzaam weer uit.
Je voelt je schouders zakken.
Ver voor je zie je de eerste molen.
De molen staat groot en donker in het licht.
De wieken van de molen draaien rustig.
Draaien betekent rond en rond gaan.
De wieken zijn de lange armen van de molen.
De wieken pakken de wind op.
Je begint rustig te lopen over het pad.
Je voeten maken een zacht geluid.
Het pad is van klein grind.
Grind zijn kleine steentjes onder je schoenen.
Krak, krak, krak. Een zacht ritme onder je voeten.
Je loopt niet snel.
Je loopt langzaam.
Iedere stap is kalm en licht.
ENLinks van jou is het water.
Rechts van jou is een groene weide.
Een weide is een veld met gras.
In de weide staan drie koeien.
De koeien zijn groot en zacht.
De koeien hebben bruine en witte vlekken.
Vlekken zijn kleine kleurplekken op de huid.
De koeien kijken rustig naar je.
Een koe zegt heel zachtjes boe. Daarna is het weer stil.
De koeien eten langzaam hun gras.
Kauw, kauw, kauw.
Heel rustig.
Je loopt verder over het smalle pad.
De eerste molen komt dichterbij.
De molen is nu heel groot.
Wel twintig meter hoog misschien.
Het dak van de molen is van riet.
Riet is een soort hoog gras.
Vroeger maakten mensen vaak daken van riet.
Het rieten dak houdt de regen goed tegen.
Het riet is donkerbruin.
Het riet ruikt een beetje zoet en droog.
De muren van de molen zijn van hout.
Het hout is warmbruin van kleur.
Je raakt het hout zachtjes aan.
Het hout voelt ruw en een beetje warm.
De wind heeft het hout veel geraakt.
Het hout heeft kleine lijntjes en gaten.
Je gaat een paar stappen achteruit.
Je kijkt omhoog naar de wieken.
De vier wieken bewegen door de lucht.
Zoef, zoef, zoef, heel langzaam.
Het geluid van de wieken is rustgevend.
Het lijkt op een zachte zucht.
Zuchten betekent langzaam uitademen.
De molen ademt met de wind.
Je blijft even stilstaan.
Je kijkt en luistert.
De lucht boven de molen wordt dieper roze.
De wolken worden zacht paars.
Hoog in de lucht vliegt een vogel.
De vogel is klein en zwart.
De vogel vliegt rustig richting huis.
Ook vogels gaan slapen in de avond.
Je loopt weer verder langs het water.
Het water is nog steeds heel glad.
Af en toe springt een visje.
Plop!
Een klein geluid op het water.
Je ziet kleine rimpels op het water.
Rimpels zijn kleine golfjes.
De rimpels worden groter en groter. Daarna verdwijnen de rimpels langzaam. Alles wordt weer glad en stil. Het water houdt al zijn geheimen terug. In de verte zie je de tweede molen. Deze molen is iets kleiner. Naast de molen staat een kleine tuin. In de tuin groeien bloemen en kruiden. Kruiden zijn kleine planten voor in eten. De kruiden ruiken heel zacht en groen. Je leunt even tegen het kleine hek.
Je ruikt de tuin langzaam.
Munt ruikt fris en een beetje koel.
Tijm ruikt warm en aards.
Rozemarijn ruikt sterk en een beetje zoet.
Deze geuren zijn heel rustgevend.
Op het pad zie je een grote grijze kat.
De kat ligt rustig in het gras.
De kat kijkt naar jou met gouden ogen.
Je zegt zachtjes hallo tegen de kat.
De kat knippert langzaam met haar ogen.
Bij katten betekent dit vertrouwen.
Je glimlacht zachtjes naar de kat.
De kat strekt haar pootjes uit.
Een poot is een been van een dier.
De kat is heel ontspannen.
Dan legt de kat haar kop weer neer.
Haar ogen vallen langzaam dicht.
licht.
Ook de kat wordt slaperig in de avond.
Alles op deze plek wordt rustig.
Je loopt rustig verder over het pad.
De avondlucht is nu meer paars dan roze.
De derde molen staat aan de overkant van het water.
Die molen staat daar stil en groot.
Het beeld van de molen valt in het water.
Het water spiegelt de molen perfect.
Weerspiegelen betekent als een spiegel laten zien.
Je ziet de molen twee keer.
Een molen staat in de lucht, een molen staat in het water.
Je blijft even staan en kijkt.
Je ademt heel rustig en diep.
In het water zie je iets bewegen.
Een familie eenden komt langzaam zwemmen.
Er zijn een moedereend en vier kleine eendjes.
De eendjes zwemmen netjes in een rij.
De moeder zegt zachtjes, kwek.
De kleine eendjes zeggen, piep, piep.
De familie eenden zwemt richting het riet.
Het riet aan de kant is dik en hoog.
Daar slaapt de familie misschien vanavond.
Je glimlacht zachtjes naar de eendjes.
Je gaat op een houten bank zitten.
De bank staat aan de rand van het pad.
Het hout van de bank is koel.
Je voelt het koele hout met je handen.
Je haalt weer heel diep adem.
De avondlucht vult je longen.
Longen zijn de delen in je lichaam waarmee je ademt.
Je longen vullen zich rustig.
Met elke adem word je rustiger.
Met elke adem wordt je lichaam zwaarder.
Je voelt je voeten zwaar worden.
Je voelt je benen rustig en warm.
Je armen hangen los langs je lichaam.
Je handen rusten op je benen.
Je schouders zakken steeds dieper.
Je nek wordt helemaal zacht.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Langzaam, langzaam, langzaam.
Alles wordt zacht en stil.
Dicht bij de bank hoor je het water.
Het water klotst zachtjes tegen de oever.
De oever is de rand van het water.
Klots, klots, klots.
Heel zachtjes.
In het water zie je kleine rimpels.
De rimpels komen van de zachte wind.
De wind streelt het water zachtjes.
Strelen betekent heel zacht aanraken.
De wind streelt ook jouw haar.
Je voelt een lichte koelte op je hoofd.
Na een paar minuten sta je weer op.
Je loopt rustig verder over het pad.
De vierde molen komt nu in zicht.
Bij deze molen brandt een klein licht.
Het licht komt uit een klein raam.
Het is een warme gele gloed.
Iemand woont in deze molen.
Mensen wonen soms in oude molens.
Je denkt aan die persoon binnen.
Die persoon drinkt misschien thee in de keuken.
De thee geeft warme damp.
Damp is warme nevel boven hete drank.
ENJe glimlacht zachtjes bij dit idee.
Het idee maakt je warm van binnen.
De avond wordt langzaam donkerder.
Boven de molens verschijnen de eerste sterren.
Sterren zijn kleine lichtjes in de lucht.
De sterren zijn heel ver weg.
Eerst zie je maar één ster.
Dan zie je een tweede ster en een derde.
De sterren komen langzaam tevoorschijn.
Alsof ze langzaam wakker worden.
Je loopt verder langs het stille water.
Een kleine houten brug komt in zicht.
De brug ligt over een smalle sloot.
Een sloot is een smal kanaal met water.
De brug is oud en mooi.
Het hout van de brug is donker en glad.
Je loopt rustig de brug op.
Je voeten maken een zacht geluid.
Het oude hout kraakt zachtjes.
Kraken is een zacht geluid van oud hout.
Krak, krak.
Heel rustig en traag.
Het geluid is vriendelijk en warm.
Onder de brug zwemt een grote vis.
De vis is zilver en glanzend.
De vis zwemt heel langzaam door het water.
Af en toe beweegt de staart zachtjes.
Dan verdwijnt de vis weer in het donkere water.
Je leunt even op het hek van de brug.
Je ademt de avondlucht rustig in.
Je voelt je helemaal kalm.
Na de brug komt een lange rij molens.
Je telt de molens zachtjes in je hoofd.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven molens in een lijn.
Alle molens draaien heel rustig.
De wieken bewegen in hetzelfde rustige ritme.
Je blijft staan en kijkt.
Je adem wordt langer en dieper.
Het beeld is als een droom.
Oude molens in zacht avondlicht.
Je voelt dat je schouders zakken.
Je spieren worden zacht en los.
Spieren zijn de delen onder je huid.
De spieren mogen nu rusten.
Je loopt weer langzaam verder De lucht is nu donkerblauw De maan komt langzaam op De maan is groot en rond en zilver Het licht van de maan valt op het water Het water wordt nu zilver en zacht De molens worden donkere schaduwen Maar de wieken zie je nog duidelijk De wieken draaien door de zilveren lucht.
Rond en rond.
Heel rustig.
Je voeten voelen warm en zwaar.
Je benen zijn een beetje moe.
Je ziet een mooie plek onder een boom.
Daar groeit een oude, dikke wilg.
Een wilg is een boom met lange, dunne takken.
De takken hangen naar het water.
Je gaat onder de wilg zitten.
Je leunt tegen de dikke stam.
Een stam is het middelste deel van een boom.
De stam voelt stevig achter je rug.
Boven je zie je de dunne takken.
De takken bewegen zachtjes in de wind.
De blaadjes van de wilg zijn klein.
De blaadjes zijn zilvergroen en zacht.
De blaadjes ritselen in de avondwind.
Ritselen is het geluid van zachte blaadjes.
Rits, rits, rits.
Heel kalm.
Het geluid is als een zachte muziek.
Je hoort de molens nog steeds.
Zoef, Zoef.
Zoef.
Van heel ver weg.
Het ritselen en het zoeven gaan samen.
Het is als een zacht slaaplied.
Je ogen voelen al een beetje zwaar.
Je blijft rustig onder de wilgen zitten.
In de verte zie je een klein bootje.
Het bootje drijft rustig op het water.
drijven betekent zachtjes op het water liggen het bootje is helemaal wit het bootje is leeg en heel rustig misschien hoort het bootje bij een visser een visser is iemand die vissen vangt maar vanavond is er geen visser alles is rustig alles is stil alleen het water en de molens bewegen zacht.
Je haalt weer heel diep adem.
Je longen worden vol en daarna weer leeg.
In en uit.
Langzaam, langzaam.
De maan staat nu hoger in de lucht.
De sterren zijn nu helder en veel.
Je kijkt naar een grote ster.
Die ster is groter dan de andere.
Mensen noemen deze ster soms de avondster.
De avondster is eigenlijk een planeet, maar de avondster is heel mooi.
Je kijkt rustig naar dit kleine licht.
Je denkt aan niets bijzonders.
Je gedachten komen en gaan als wolken.
Een gedachte komt rustig naar boven.
Een gedachte glijdt langzaam weer weg.
Je hoeft geen gedachten vast te houden.
Gedachten mogen gewoon komen en gaan.
Dit voelt heel rustig.
Dit voelt heel veilig.
Een kleine egel komt langs het pad.
Een egel is een klein dier met stekels.
Stekels zijn dunne, scherpe dingen op de rug.
Maar de egel zelf is heel lief.
De egel is bruin en klein.
De egel heeft een spits neusje.
De egel snuffelt rustig door het gras.
Snuffelen betekent ruiken met een klein neusje.
De egel vindt misschien wat kleine insecten.
De egel eet heel langzaam en stil.
Daarna loopt de egel verder de avond in.
De egel maakt bijna geen geluid.
Je glimlacht bij het zien van de egel.
Kleine dieren maken het hart rustig.
In het water hoor je een klein geluid.
Een kikker zingt zachtjes naar de maan.
Kwaak, kwaak, heel rustig en diep.
De kikker is niet boos.
De kikker is gelukkig.
Daarna is het weer heel stil.
Alleen de wind in de blaadjes.
Er is iets bijzonders in de lucht.
Een lichte nevel komt boven het water omhoog.
Nevel is als heel dunne wolken.
De nevel drijft zachtjes over het water.
De nevel maakt alles een beetje zacht.
De molens zijn half verstopt in de nevel.
Maar de nevel is niet koud of eng.
De nevel is warm en rustig.
Je ademt de nevel zachtjes in.
De nevel ruikt naar water en aarde.
Aarde is de grond onder je voeten.
De grond ruikt hier heel fris.
Een beetje verder in het riet zie je beweging.
Een grote vogel staat daar heel stil.
Het is een reiger.
Een reiger is een hoge, grijze vogel.
De reiger heeft lange, dunne poten.
De reiger heeft een lange, scherpe snavel.
De reiger staat heel roerloos in het water.
Roerloos betekent helemaal stil.
De reiger wacht op een vis.
De reiger is heel geduldig.
Je kijkt naar de reiger en leert iets.
Ook jij kan heel geduldig zijn.
Ook jij kan heel stilstaan.
Ook jij mag gewoon wachten.
Heel ver weg hoor je een zacht geluid.
Misschien een kerkklok in een ander dorp.
Bim bom.
Heel zacht en heel traag.
Het geluid is heel ver weg.
Het geluid klinkt als een oude herinnering.
Een herinnering is iets uit het verleden.
Een zachte herinnering maakt je warm van binnen.
In de weide groeien kleine bloemen.
De bloemen zijn wit en geel.
De witte bloemen zijn madelieven.
De gele bloemen zijn boterbloemen.
Madelieven zijn klein en rond.
Boterbloemen zijn glad en glanzend.
De bloemen sluiten nu langzaam.
Bloemen gaan ook slapen in de avond.
Ook jij mag nu langzaam slapen.
Alles om je heen gaat slapen.
Je staat voorzichtig op van de wilg.
Je rekt heel even je armen uit.
Rekken betekent je lichaam langer maken.
Je armen gaan omhoog en je tenen drukken zacht.
Het voelt fijn om even te rekken.
Daarna laat je je armen rustig zakken.
Je loopt nog een klein stukje door.
Je bent niet moe.
Je bent alleen rustig.
De volgende molen heeft een rode deur.
De deur is klein en oud.
De rode verf is een beetje oud.
Maar de kleur is nog steeds warm en mooi.
Naast de deur staan twee klompen.
Klompen zijn Nederlandse schoenen van hout.
De klompen zijn oud en bruin.
Iemand heeft de klompen netjes neergezet.
Je glimlacht bij het zien van de klompen.
Zo typisch Nederlands, denk je?
Een klein raam in de molen is verlicht.
Het licht is zachtgeel en warm.
Vanuit de deur komt een fijne geur.
De geur lijkt op brood en wol en hout.
Je sluit je ogen even en ruikt.
De geur voelt als thuis.
Thuis is waar je je veilig voelt.
Ook hier, ver van huis, voel je je thuis.
Je doet je ogen weer open.
Het licht van binnen blijft zacht.
Niemand komt naar buiten.
De molen is kalm en stil.
Je loopt rustig door naar de laatste molen.
Deze molen staat aan het einde van het pad.
Je gaat nog eens op een bankje zitten.
Dit bankje kijkt uit over alle molens.
Van hier zie je de lange rij.
7, 8, 9 molens in de verte.
De molens staan daar heel trouw.
De molens draaien voor niemand en voor iedereen.
De wieken bewegen in dezelfde kalme cirkel.
Rond en rond.
Kalm en zacht.
De molens zijn nooit gehaast.
De molens weten dat alles tijd heeft.
Deze molens staan hier al eeuwen.
Eeuwen en eeuwen van rustig werk Dat geeft jou nu ook rust Je hoeft ook nergens naartoe Je hoeft ook niets meer te doen Je mag gewoon rustig zijn Je ademt diep en langzaam in Je ademt heel langzaam uit Je lichaam wordt nu heel zwaar Je benen zijn zwaar en warm Je armen zijn rustig en zacht.
Je handen liggen los op je schoot.
Je schouders zakken steeds dieper.
Je nek wordt helemaal los.
Je voorhoofd is glad en ontspannen.
Je kaak is los en licht.
Je tong rust in je mond.
Je gezicht wordt helemaal zacht.
De avondlucht ruikt naar water en hout.
De wind is bijna helemaal weg.
Alles rondom jou is heel stil.
ENAlleen de zachte zoef van de wieken blijft, langzaam, heel kalm.
Je hoort dit geluid nu met je hart.
Je ademt in het ritme van de molen.
Adem in.
Je ogen worden nu echt heel zwaar.
Je oogleden zakken zachtjes omlaag.
Je hoofd voelt warm en rond.
Je gedachten worden kleiner en kleiner.
De molens staan trouw om je heen.
De molens passen op.
De sterren passen ook op.
De maan zegt zachtjes, goedenacht.
Je voelt je heel veilig.
Je voelt je helemaal rustig.
Je bent hier.
Je bent warm.
Er is niets meer te doen.
Er is niets meer te denken.
Er is alleen maar rust.
De molens draaien zachtjes door.
De molens zingen een heel stil lied.
Het lied is voor jou alleen.
Het lied zegt, slaap nu zacht.
Slaap zacht, lieve dromer.
Slaap zacht, rustige vriend.
Je ogen worden zwaar.
Je ademt langzaam.
Je bent rustig.
Slaap zacht.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze