Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Een Dag op het Plein

Het is maandag, Sarah woont in Den Haag.

Sarah is 20 jaar oud.

Ze heeft een fiets.

De fiets is geel.

De fiets is heel mooi.

Sarah fiets het elke dag op de fiets.

Sarah gaat naar het plein.

Het plein is groot.

Het plein is in het midden van de stad.

De lucht is blauw.

De zonschijn.

Sarah ruikt brood.

Er is een bakker.

De bakker is dichtbij.

Het brood ruikt lekker.

Sarah ziet veel mensen.

Er zijn heel veel mensen.

Sarah telt 1, 2, 3.

Veel mensen.

De mensen praten.

Het is druk.

De mensen staan op het plein.

Sommige mensen hebben een vlag.

De vlag is groot en wit.

De vlag is groot.

Andere mensen hebben een bord.

Het bord is groot.

Het bord is wit met zwarte letters.

Sarah kijkt naar de mensen.

Ze denkt.

Wat is dit?

Er zijn ook mannen in blauwe kleren.

De mannen staan bij de mensen.

De mannen kijken naar de groep.

Sarah ziet de mannen.

Ze telt 5 mannen.

Nee.

Meer.

Tien mannen.

Nee.

Meer.

De mannen zijn still.

Ze kijken streng.

Sarah hoort geluid.

Het is hart geluid.

De mensen praten.

Ze praten heel hard.

Sarah hoort de woorden niet goed.

Het is te hard.

Sarah hoort ook een vluitje.

Het vluitje is van de mannen.

Het geluid is hoog.

Sarah heeft een vriend.

De vriend heet Pieter.

Pieter staat naast Sarah.

Pieter is lang.

Hij draagt een groene jas.

Pieter zegt.

Sarah kijkt daar.

Sarah kijkt.

Ze ziet meer mannen in blauwe kleren.

De mannen lopen naar de groep.

Ze lopen snel.

De mannen maken een geluid.

Het geluid is zwaar.

Pieter zegt.

De mannen zegt.

Ga weg.

Sarah kijkt.

De mensen op het plein lopen weg.

Een voor een.

even tussen door.

Bedankt voor het luisteren.

Reageer onder deze aflevering.

Of stuur me een DM op Instagram.

Dan stuur ik je een speciale kortingskode voor de interactieve versie van deze aflevering.

Veel plezier verder met het verhaal.

V voor twee.

De groep wordt klein.

Dan is de groep weg.

Het plein is leeg.

Alleen de vlaggen liggen op de grond.

De vlaggen zijn rote en wit.

Het plein is nu stil.

Sarah hoort niets meer.

Geen stemmen.

Geen vluitje.

Alleen de wind.

De wind is zacht.

Ze kijkt naar Pieter.

Pieter kijkt naar Sarah.

Sarah zegt.

Dat is goed.

Pieter knikt.

Hij zegt.

Ja.

Het plein is nu vrij.

Sarah en Pieter lopen over het plein.

Het plein is groot en leeg.

Sarah ziet een duif.

De duif lopen op het plein.

De duif is greis.

De duif is klein.

Sarah lacht.

Ze zegt.

Kijk.

De duif is nu de baas van het plein.

Pieter lacht ook.

De duif kijkt naar Sarah.

Dan vliegt de duif weg.

Sarah en Pieter gaan naar een café.

Het café is klein.

Het café is warm.

Het café ruikt naar koffie.

Sarah drinkt koffie.

Pieter drinkt T.

De koffie is lekker.

De T is ook lekker.

De kopjes zijn wit.

De tafel is bruin.

Sarah denkt aan het plein.

Ze denkt.

Het plein is voor iedereen.

Ze kijkt naar buiten.

De zon schijnt nog.

Ze drinkt haar koffie.

Ze is blij.

Pieter is ook blij.

Pieter zegt.

Het was druk vandaag.

Sarah zegt.

Ja.

Maar nu is het rustig.

Het is nu middag.

De zon schijnt.

Het is een mooie dag in Den Haag.

Sarah en Pieter zitten in het café.

Ze praten.

Ze lachen.

Het is goed.

Sarah voelt de warmen koffie in haar handen.

Ze ruikt de koffie.

Ze hoort mensen praten.

Maar het is niet hard.

Het is zacht.

Sarah zegt.

Morgen ga ik weer naar het plein.

Pieter zegt.

Ik ook.

Ze drinken hun koffie.

Het café is gezellig.

Den Haag is mooi.

Sarah denkt.

Het plein is groot.

De mensen zijn weg.

Maar ik ben hier.

Pieter is hier.

Dat is goed.

Tot de volgende keer.

Transcript en quiz · gratis

De quiz is gratis. Log in voor flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze