

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
RICK: Zie jij die spullen daar?
EMMA: Ja, ik zie het.
Wat een rommel.
LARS: Het ligt er al dagen.
RICK: Wie gooit zijn huis op straat?
EMMA: Ik weet het niet.
Hij is raar.
LARS: Het is een man.
Hij woont hier.
RICK: Hij gooit stoelen en tafels weg.
EMMA: Het is gek.
Waarom doet hij dat?
LARS: Misschien is hij boos.
RICK: Ja, maar het is niet normaal.
EMMA: De gemeente komt niet.
LARS: Nee, het is geen grofvuil.
RICK: Het stinkt een beetje.
EMMA: Ja, het is vies.
LARS: Ik loop er elke dag langs.
RICK: Ik bel de gemeente.
EMMA: Dat is goed.
Doe het maar.
LARS: Drink nog een biertje.
RICK: Proost.
EMMA: Proost.
LARS: Wat een dag.
RICK: Ja, het is warm.
EMMA: Het terras is leuk.
LARS: Ja, ik zit hier graag.
RICK: Zie je die stoel?
Hij is rood.
EMMA: Ja, ik zie die rode stoel.
Hij is groot.
LARS: En die tafel is klein.
Hij is wit.
RICK: De man is raar.
Hij gooit alles weg.
EMMA: Gisteren zag ik een lamp.
Ook op straat.
LARS: Ja, een lamp.
Hij is kapot.
RICK: Waarom gooit hij een kapotte lamp weg?
EMMA: Misschien heeft hij een nieuwe lamp.
LARS: Of hij is boos op zijn huis.
RICK: Boos op zijn huis?
Dat is gek.
EMMA: Ja, maar het is mogelijk.
LARS: Ik denk dat hij verhuist.
RICK: Verhuist?
Naar waar?
EMMA: Naar een ander huis, denk ik.
LARS: Ja, naar een flat of een ander dorp.
RICK: Maar waarom gooit hij dan stoelen weg?
EMMA: Misschien passen ze niet in zijn nieuwe huis.
LARS: Of ze zijn oud en lelijk.
RICK: De stoel is rood.
Rood is niet lelijk.
EMMA: Nee, rood is mooi.
Maar de stoel is kapot.
LARS: Ja, ik zie een gat in de stoel.
RICK: Een gat?
Waar?
LARS: Daar, in de zitting.
EMMA: Ja, ik zie het.
Dat is niet goed.
RICK: Nee, een stoel met een gat is niet fijn.
LARS: Je kunt er niet op zitten.
EMMA: Nee, dan val je.
RICK: Haha, ja, dan val je op de grond.
LARS: Dat is niet leuk.
EMMA: Nee, dat is pijnlijk.
RICK: De tafel is ook kapot?
LARS: Ja, een poot is weg.
EMMA: Een poot?
De tafel heeft maar drie poten?
LARS: Ja, drie poten.
Dat is niet stabiel.
RICK: Nee, een tafel met drie poten valt om.
EMMA: Ja, als je een glas erop zet, valt het glas.
LARS: En dan is het glas kapot.
RICK: Wat een rommel, echt.
EMMA: Ja, het is een grote rommel.
LARS: Ik loop er elke dag langs.
Het wordt niet beter.
RICK: Nee, het wordt erger.
EMMA: Gisteren lag er een schoen.
LARS: Een schoen?
Welke kleur?
EMMA: Bruin.
Een bruine schoen.
RICK: En vandaag?
EMMA: Vandaag zie ik een andere schoen.
Ook bruin.
LARS: Twee bruine schoenen.
Dat is een paar.
RICK: Ja, een paar schoenen.
Maar waarom?
EMMA: Misschien past de man ze niet meer.
LARS: Of ze zijn te klein.
RICK: Of te groot.
EMMA: Ja, te groot of te klein.
LARS: Het is raar.
Hij gooit alles weg.
RICK: Ik bel de gemeente.
Dat zei ik al.
EMMA: Ja, bel de gemeente.
Dat is goed.
LARS: Maar het is geen grofvuil, zei je.
RICK: Nee, maar het stinkt.
Het is vies.
EMMA: Ja, het stinkt een beetje.
Het is vies.
LARS: Misschien komt de gemeente toch.
RICK: Ik hoop het.
Het is niet leuk.
EMMA: Nee, het is niet leuk voor de buurt.
LARS: De buurt is anders mooi.
RICK: Ja, de buurt is mooi.
Maar nu is het vies.
EMMA: Drink nog een biertje.
Dat helpt.
LARS: Ja, een biertje helpt altijd.
RICK: Proost.
EMMA: Proost.
LARS: Wat een dag, echt.
RICK: Ja, het is warm.
Het is een warme dag.
EMMA: Het terras is leuk.
Ik zit hier graag.
LARS: Ja, ik ook.
Het is fijn hier.
RICK: Morgen is het ook warm?
EMMA: Ja, denk ik.
De zon schijnt.
LARS: Dan zitten we hier weer.
RICK: Ja, dan zitten we hier weer met een biertje.
EMMA: En dan kijken we naar de rommel.
LARS: Haha, ja, naar de rommel.
RICK: Tot de volgende keer bij Dutch Fluency.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze