

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Rick.
Ik woon in Den Haag.
Vandaag lees ik een boek.
Het boek gaat over water.
Het water is ver weg.
Het water is in een groot land.
Het land heet Australië.
In het water leven vissen.
De vissen zijn mooi.
Ze hebben veel kleuren.
Blauw, groen en geel.
De vissen zwemmen in het water.
Het water is warm.
Het water is groot.
Het heet het koraalwater.
Mensen kijken naar het water.
Zij zeggen: het water is bijzonder.
Het water heeft veel leven.
Een groep mensen kijkt naar het water.
Zij zeggen: het water is niet in nood.
Het water is goed.
De vissen zijn blij.
De planten in het water groeien.
Alles is rustig.
Ik lees verder.
Het boek zegt: het water is veilig.
Geen problemen.
De vissen spelen.
De zon schijnt.
Het water is blauw.
Ik denk: wat mooi.
Ik wil naar het water.
Maar ik ben in Den Haag.
Het is ver.
Ik kijk naar een foto.
De foto toont het water.
Het water is helder.
Ik zie vissen.
Ik zie planten.
De planten zijn wit en roze.
Het is een mooi plaatje.
Mijn vriendin Anna komt.
Zij zegt: wat lees je?
Ik zeg: een boek over water.
Anna zegt: is het water mooi?
Ik zeg: ja, heel mooi.
Het water is groot.
Het heeft veel kleuren.
Anna kijkt mee.
Zij zegt: ik zie vissen.
Ik zie blauw water.
Het is mooi.
Wij kijken samen.
De zon is warm.
Wij drinken koffie.
De koffie is lekker.
De koffie ruikt goed.
Ik denk aan het water.
Het water is ver.
Maar het is veilig.
De vissen zijn blij.
De planten groeien.
Alles is goed.
Anna zegt: wij gaan naar het park.
Ik zeg: ja, leuk.
Wij lopen naar het park.
Het park is groen.
Er zijn bomen.
Er zijn bloemen.
De bloemen zijn rood en geel.
De bloemen ruiken zoet.
Het is mooi.
Ik denk aan het water.
Het water is ook mooi.
Maar het park is dichtbij.
Ik ben blij.
De dag is fijn.
Wij zitten op een bank.
De bank is van hout.
De zon schijnt.
Het is warm.
De wind is zacht.
Anna zegt: het water is veilig.
Ik zeg: ja, dat is goed.
De vissen zijn blij.
De planten groeien.
Alles is rustig.
Wij drinken water.
Het water is koud.
Het is lekker.
Ik hoor vogels.
De vogels zingen.
Ik denk: het water in het boek is ver.
Maar het is veilig.
Dat is fijn.
De vissen zwemmen.
De zon schijnt.
Alles is goed.
Ik kijk naar de lucht.
De lucht is blauw.
Net als het water.
Anna zegt: kom, wij gaan wandelen.
Wij lopen langs de bomen.
De bomen zijn groot.
De bladeren zijn groen.
Ik zie een hond.
De hond rent.
Het is een kleine hond.
De hond is blij.
Ik denk aan de vissen.
De vissen zijn ook blij.
Het water is veilig.
De planten groeien.
Alles is rustig.
Wij lopen terug naar huis.
De zon gaat onder.
De lucht is oranje en roze.
Het is mooi.
Ik denk: de dag is goed.
Het water is ver.
Maar het is veilig.
De vissen spelen.
De planten groeien.
Alles is goed.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze