

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is dinsdagochtend in Den Haag.
De zon schijnt fel en de lucht is blauw.
Mijn naam is Rick en ik woon in Den Haag.
Ik ben leraar Nederlands.
Vandaag is het heel warm.
De thermometer bij mijn raam zegt 35 graden.
Dat is erg warm voor Nederland.
Ik sta op en ik drink een glas water.
Het water is koel en lekker.
Mijn kat, Minoes, ligt op de koude vloer.
Ze is lui vandaag, want het is te warm.
Ik zet het raam open, maar er is geen wind.
De lucht staat stil.
Ik ga naar de keuken voor ontbijt.
Ik eet een boterham met kaas.
Maar ik heb geen zin in warm eten.
Ik eet liever fruit.
Een appel is fris en gezond.
Mijn buurvrouw, mevrouw De Vries, belt aan.
Ze zegt: "Rick, het is zo warm!
Ga je naar het strand?" Ik lach.
"Nee, ik moet werken.
Maar vanavond ga ik misschien." Ik ga naar mijn kantoor.
Het is een klein kamertje met veel boeken.
De ventilator staat aan, maar hij helpt niet veel.
Ik zweet een beetje.
Mijn studenten komen om tien uur.
We hebben les over het weer.
Dat is grappig, want het weer is het belangrijkste vandaag.
Om twaalf uur is het nog warmer.
De radio zegt: "Het is de warmste dag ooit in Frankrijk.
Morgen wordt het misschien nog warmer." Ik schud mijn hoofd.
Wat een hitte!
Ik denk aan mijn vakantie in Spanje vorig jaar.
Daar was het ook warm, maar ik had een zwembad.
Ik loop naar de supermarkt om water te kopen.
De straten zijn stil.
Mensen lopen langzaam.
Een hond hijgt onder een boom.
De supermarkt is koel.
Ik koop twee flessen water en een ijsje.
De kassière zegt: "Het is echt heet, hè?" Ik knik.
"Ja, ik smelt bijna!" Thuis eet ik het ijsje.
Het is vanille en het smaakt heerlijk.
Minoes komt naast me zitten.
Ze wil ook iets kouds.
Ik geef haar een beetje water met ijsblokjes.
Ze likt het op.
Het is een klein plezier op een warme dag.
Om drie uur is de hitte op zijn hoogtepunt.
Ik doe mijn werk in korte broek en een T-shirt.
Mijn studenten zijn ook warm.
We stoppen vroeg met de les.
Iedereen wil naar huis of naar het strand.
Ik besluit om naar het park te gaan.
Het park is dichtbij.
Er is een grote vijver en veel bomen.
Ik zit op een bankje in de schaduw.
Er zijn veel mensen.
Kinderen spelen in het water.
Een meisje roept: "Kijk, ik ben een vis!" Iedereen lacht.
Het is een vrolijk gezicht.
Ik blijf een uur in het park.
De wind komt eindelijk een beetje.
Het voelt goed.
Ik denk: "Morgen wordt het nog warmer.
Wat moet ik dan doen?" Maar ik maak me geen zorgen.
Ik heb water, een ventilator en een ijsje.
Dat is genoeg.
Om zes uur ga ik naar huis.
De zon is nog steeds fel.
Ik neem een koude douche.
Het water is heerlijk.
Daarna eet ik een salade met tomaat en komkommer.
Geen warm eten vandaag.
Minoes ligt op het balkon.
Ze slaapt.
Ik kijk naar het nieuws.
De hittegolf is overal in Europa.
In Frankrijk is het 42 graden.
Dat is heel gevaarlijk.
Mensen moeten veel drinken.
Ik ben blij dat ik in Den Haag woon.
Het is hier warm, maar niet zo erg.
Voor het slapengaan loop ik nog even buiten.
De lucht is oranje en roze.
Het is mooi.
De stad is rustig.
Ik hoor vogels en verkeer.
Het is een warme avond, maar ook vredig.
Ik ga naar bed met een glas water naast me.
Morgen wordt een nieuwe hete dag.
Maar ik ben er klaar voor.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze