

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Dokter Wim werkt in Den Haag.
Hij werkt elke dag.
Hij ziet veel mensen.
Hij helpt veel mensen.
Zijn kamer is groot.
Er staat een lamp.
De lamp is geel.
Er hangt een klok.
De klok tikt.
Elke dag hoort hij de klok.
Tikt, tikt.
Vandaag komt er een man.
De man heet meneer De Wit.
Meneer De Wit is groot.
Hij heeft een blauwe jas.
Hij heeft ook een zwarte hoed.
Hij zet de hoed op tafel.
De tafel is klein en bruin.
Hij zit op een stoel.
De stoel is bruin.
De stoel kraakt.
De man kijkt naar de klok.
Dokter Wim kijkt naar de man.
De man is stil.
De man eet een koek.
De koek is van chocola.
De koek is klein.
De man eet langzaam.
Het is stil in de kamer.
Alleen de klok tikt.
Dokter Wim zegt: 'Hallo, meneer De Wit.' De man kijkt op en zegt: 'Hallo, dokter.' Dokter Wim vraagt: 'Hoe gaat het?' De man zucht.
Hij zegt: 'Niet goed.' Dokter Wim luistert stil.
De man praat veel.
Hij praat over zijn reis.
Hij praat over Berlijn.
Berlijn is een grote stad.
De stad is heel ver weg.
De man is moe van de reis.
Hij praat en praat.
De man zegt: 'Ik ga naar Berlijn.' Dokter Wim kijkt naar de man en vraagt: 'Waarom?' De man zegt zacht: 'Ik moet daar zijn.
Het is belangrijk.' Dokter Wim pakt een pen.
Hij schrijft iets op.
Hij schrijft veel op.
Het papier is vol.
Dokter Wim denkt: 'Dit is moeilijk.' Hij kijkt naar de man.
De man drinkt water uit een glas.
Het water is koud.
Het glas is helder.
De man is rustig.
Hij zit stil.
Dokter Wim is ook rustig.
Hij ademt langzaam.
Dokter Wim zegt: 'Komt u volgende week terug?' De man knikt.
Hij zegt: 'Ja, goed.' De man staat op.
De stoel kraakt.
De man loopt naar de deur.
De deur is wit en groot.
De man pakt zijn hoed.
Hij doet de hoed op.
Hij gaat weg.
De deur valt dicht.
Dokter Wim zit alleen.
Het is stil.
Hij kijkt naar zijn papier.
Hij leest zijn woorden.
Hij denkt: 'De man is rustig, maar ook verdrietig.' Hij denkt: 'Ik doe mijn werk.
Ik help mensen.' De volgende dag is het weer ochtend.
Dokter Wim werkt weer.
Hij drinkt koffie.
De koffie is warm en zwart.
Hij drinkt de koffie langzaam.
Hij eet brood met kaas.
Het brood is lekker.
Hij leest zijn papieren.
De zon schijnt door het raam.
Er komt een vrouw binnen.
De vrouw heet mevrouw Bos.
Zij heeft een rode tas.
De tas is groot en zwaar.
Zij zet de tas op de grond.
Zij zit op de stoel.
De stoel is bruin en comfortabel.
De rode tas valt op.
Dokter Wim glimlacht.
Hij zegt: 'Hallo, mevrouw Bos.' Zij glimlacht ook en zegt: 'Hallo, dokter.' Dokter Wim vraagt: 'Hoe gaat het?' Zij zegt: 'Goed, dank u.
Het gaat beter.' Dokter Wim luistert naar mevrouw Bos.
Hij schrijft op zijn papier.
Hij helpt de vrouw met haar vragen.
De vrouw is blij.
Zij staat op, pakt haar rode tas.
Zij loopt naar de deur.
Zij zegt: 'Dag, dokter.' Zij gaat weg.
De deur valt dicht.
Dokter Wim staat op van zijn stoel.
Hij loopt naar het raam.
Hij kijkt buiten.
Het is zonnig.
De hemel is blauw.
De straat is druk.
Er lopen veel mensen met tassen.
Er rijden veel auto's langzaam.
Hij hoort het verkeer.
De straat is heel druk.
Hij denkt aan meneer De Wit.
Hij denkt: 'Waar is de man nu?' Hij pakt zijn koffiefles.
De koffie is koud nu.
Hij drinkt toch.
De koffie smaakt bitter.
Hij gaat weer zitten op zijn stoel.
Dan gaat de deur open.
Er komt een nieuwe man binnen.
De man is jong.
Hij heeft een groene jas.
Zijn haar is zwart.
Dokter Wim zegt: 'Hallo.' De man zegt: 'Hallo, dokter.' Het werk gaat door.
Weer een nieuwe persoon.
Dokter Wim werkt hard.
Hij helpt elke dag veel mensen.
Hij luistert goed naar hun verhalen.
Hij schrijft goed op wat zij zeggen.
Dat is zijn werk.
Hij vindt het fijn om te helpen.
Hij is een goede dokter.
Hij denkt aan de dag.
Hij denkt: 'Ik help mensen.
Dat is mooi.' Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze