

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Tim.
Ik woon in Amsterdam.
Vandaag ga ik naar Artis.
Artis is een dierentuin.
Ik ga met mijn zus.
Mijn zus heet Saar.
Wij lopen naar Artis.
Het is mooi weer.
De zon schijnt.
De lucht is blauw.
De zon is warm op mijn gezicht.
Ik voel de warmte.
De lucht ruikt naar bloemen.
Ik zie een poort.
De poort is groot.
De poort is groen.
De poort heeft een groot hek.
Wij gaan naar binnen.
Ik hoor dieren.
Ik hoor vogels.
De vogels zingen.
Ze zingen luid.
Ik hoor apen.
Saar zegt: 'Kijk, daar is een aap!' De aap is bruin.
De aap zit in een boom.
De aap eet een banaan.
De banaan is geel.
De aap is leuk.
De aap kijkt naar ons.
Saar lacht.
Wij lopen verder.
Ik zie een ander hok.
In het hok is een olifant.
De olifant is groot.
De olifant is grijs.
De olifant heeft grote oren.
De olifant drinkt water.
Het water is koud.
Het water spat op de grond.
Saar zegt: 'De olifant is mooi.' Ik zeg: 'Ja, de olifant is mooi.' Dan hoor ik een geluid.
Ik hoor een hard geluid.
Het geluid komt van de apen.
Een aap is weg.
De aap loopt op het pad.
De aap loopt snel.
Mensen kijken.
Mensen zeggen: 'Kijk, een aap!' De aap is grappig.
De aap klimt in een boom.
De boom is hoog.
De aap zit in de boom.
De aap kijkt naar beneden.
Saar zegt: 'De aap is slim.' Ik zeg: 'Ja, de aap is slim.' Een man komt.
De man werkt in Artis.
De man heeft een banaan.
De banaan is geel.
De man zegt: 'Aap, kom hier.' De aap kijkt.
De aap ziet de banaan.
De aap klimt naar beneden.
De aap eet de banaan.
De aap is stil.
De man pakt de aap.
De man is blij.
Saar en ik zijn blij.
De aap is terug.
Wij lopen naar huis.
Ik eet een ijsje.
Het ijsje is vanille.
Het ijsje is lekker.
Het ijsje is koud.
Het ijsje smaakt zoet.
Saar eet ook een ijsje.
Saar eet een aardbeienijsje.
Het ijsje is roze.
Wij zitten in het park.
Het park is groen.
Het gras is zacht.
Ik voel het gras.
Ik zie een hond.
De hond is wit.
De hond speelt met een bal.
De bal is rood.
De hond rent snel.
Saar zegt: 'Het is een leuke dag.' Ik zeg: 'Ja, het is een leuke dag.' Ik denk aan de aap.
De aap was grappig.
De aap was slim.
De aap at een banaan.
Ik denk aan de zon.
De zon was warm.
De zon maakte de dag mooi.
Saar en ik zijn blij.
Wij gaan naar huis.
Ik ben moe.
Saar is ook moe.
Wij slapen goed.
Ik droom over de aap.
De aap zit in de boom.
De aap eet een banaan.
Het was een mooie dag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze