Alle podcasts

Bami Onder de Regen

Ik ben Rick, leraar Nederlands in Den Haag, en op donderdagavond geef ik les in een kleine ruimte boven een fietsenwinkel aan de Paul Krugerlaan.

Buiten tikte de regen tegen de ramen.

Binnen rook het naar natte jassen, koffie uit een oude machine en de mandarijnen die ik altijd meeneem voor mijn cursisten.

Die avond had ik een kort nieuwsbericht uitgeprint.

Bovenaan stond dat de documentaire De afhaalchinees: Thuisbezorgd de Zilveren Nipkowschijf had gewonnen.

Het was een prijs voor goede televisie, maar in mijn les werd het vooral een gesprek over honger, haast en herinneringen.

Ik legde de blaadjes op tafel.

Nora, die uit Spanje komt en in een hotel werkt, las de titel hardop.

Ze sprak het woord afhaalchinees langzaam uit, alsof ze een fiets met te weinig lucht probeerde voort te duwen.

Jun, die in Scheveningen in een keuken werkt, lachte zacht. ‘Dat woord ken ik,’ zei hij. ‘Maar iedereen bedoelt er iets anders mee.’ Ik knikte. ‘Precies.

Daarom is het interessant.

Een woord kan simpel lijken, terwijl er veel achter zit.’ We lazen samen verder.

De film ging over Chinees-Indische afhaalzaken, over ouders die jarenlang in warme keukens hadden gestaan, en over kinderen die zich afvroegen of zij dat werk later ook wilden doen.

Ook kwam naar voren hoe bestelapps de manier van eten kopen hadden veranderd.

Vroeger belde je naar een zaak, nu druk je op een scherm.

Dat lijkt handig, maar achter dat gemak zitten mensen met vermoeide voeten en stapels bonnetjes. ‘Is zo’n prijs dan belangrijk?’ vroeg Nora. ‘Of is het alleen maar een feest voor televisiemakers?’ Ze zei het netjes, maar ik hoorde de vraag eronder: helpt aandacht ook echt iemand?

Ik vertelde dat een prijs deuren kan openen.

Een film wordt vaker bekeken, er wordt over gepraat, en mensen die normaal niet worden gehoord, krijgen even een plaats aan tafel.

Toch zou het te makkelijk zijn om na het kijken te zeggen: wat mooi, en daarna weer precies hetzelfde te doen.

Als wij alleen ontroerd raken, maar niets veranderen, blijft het bij een warm gevoel op de bank.

Jun keek naar buiten.

De tram gleed voorbij als een gele streep door de regen. ‘Mijn oom had in Rotterdam een kleine zaak,’ zei hij. ‘Hij kende klanten bij naam.

Sommige mensen bestelden altijd nummer 42, zonder naar de kaart te kijken.

Toen er apps kwamen, werd alles sneller, maar ook kouder.

Namen werden nummers.’ Het werd stil in de lesruimte.

Alleen de koffiemachine maakte een boos geluid, alsof hij ook een mening had.

Ik zei: ‘Laten we geen zware vergadering houden.

We gaan oefenen met meningen geven, maar wel met honger.’ Een halfuur later stonden we voor Golden Lotus, een kleine afhaalzaak om de hoek.

De ramen waren beslagen.

Op de deur hing een briefje: “Vandaag verse tjap tjoy.” Binnen rook het naar gember, sojasaus en gebakken ui.

Achter de toonbank stond mevrouw Kwok, een vrouw met sterke handen en een stem die door de stoom heen sneed.

Haar zoon Ming schreef bestellingen op een blok papier, hoewel er naast hem een tablet lag te knipperen. ‘Rick!’ riep mevrouw Kwok. ‘Jij komt met een schoolreisje?’ ‘Bijna,’ zei ik. ‘We doen onderzoek.

Heel officieel.

En we hebben trek.’ Ze lachte. ‘Onderzoek met kroepoek, dat begrijp ik.’ Nora keek naar het menu. ‘Wat is het verschil tussen nasi speciaal en nasi heel speciaal?’ Ming antwoordde zonder op te kijken: ‘Bij heel speciaal doet mijn moeder alsof ze niet ziet dat u extra saus krijgt.’ Nora glimlachte. ‘Dan wil ik graag heel speciaal.’ Terwijl we wachtten, vroeg Jun aan Ming of hij later de zaak wilde overnemen.

Ming haalde zijn schouders op. ‘Soms wel.

Soms niet.

Ik studeer boekhouding.

Mijn moeder zegt dat cijfers makkelijker zijn dan klanten, maar dat zegt ze alleen na negen uur ’s avonds.’ Mevrouw Kwok hoorde het toch. ‘Klanten zijn niet moeilijk,’ zei ze. ‘Mensen met honger zijn moeilijk.’ We lachten, omdat het waar klonk.

Op dat moment kwam er een jonge koerier binnen, zijn jas glanzend van de regen.

Hij keek op zijn telefoon, pakte een papieren tas en was alweer weg voordat de deur goed dichtviel.

Nora keek hem na. ‘Hij ziet er moe uit.’ ‘Iedereen wil snel eten,’ zei Ming. ‘Maar niemand wil dat iemand anders haast heeft.’ Die zin bleef bij mij hangen.

Als ik thuis iets bestel, denk ik meestal aan mijn eigen avond.

Ik denk aan mijn sokken, mijn serie en mijn honger.

Ik denk minder aan de handen die snijden, bakken, inpakken en fietsen.

Misschien zou ik anders kiezen als ik die handen vaker voor me zag.

Misschien ook niet, want mensen zijn meesters in goede bedoelingen bewaren voor morgen.

Terug in de lesruimte aten we uit witte bakjes.

De regen was zachter geworden.

Ik vroeg mijn cursisten om één zin te schrijven over wat zij hadden geleerd.

Nora schreef: “Een prijs kan een verhaal groter maken, maar een klant kan een klein verschil maken.” Jun schreef: “Achter een snelle maaltijd zit vaak een lang leven.” Ik schreef mijn eigen zin op het bord: “Gemak is fijn, zolang we niet vergeten wie ervoor werkt.” Toen ik later de stoelen opstapelde, voelde ik me tevreden en een beetje beschaamd.

Tevreden, omdat taal die avond niet alleen uit woorden bestond, maar uit geuren, stemmen en keuzes.

Beschaamd, omdat ik wist dat ik ook vaak voor de snelste weg kies.

Buiten ging de stad gewoon door.

Een fietsbel klonk, een tram stopte, iemand droeg een warme tas onder zijn jas.

Ik dacht aan de documentaire, aan de prijs, en vooral aan mevrouw Kwok, die waarschijnlijk nog rijst stond op te scheppen.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze