

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Anna en ik woon in Utrecht.
Gisteren fietste ik zoals gewoonlijk naar mijn werk.
Het was een mooie ochtend, de zon scheen en er waren veel mensen op straat.
Ik hoorde vogels fluiten en de wind was zacht.
Ik dacht aan mijn boodschappenlijstje voor vanavond: pasta, tomaten, en kaas.
De geur van vers brood kwam uit een bakkerij.
Het rook zo lekker dat ik even naar binnen keek.
De bakker stond voor de deur en glimlachte naar me.
Opeens hoorde ik een harde schreeuw achter me.
Het geluid was scherp en ik schrok.
Mijn hart klopte snel.
Ik keek om en zag een vrouw op een fiets die gevallen was.
Ze lag op de grond en huilde zacht.
Een man stond naast haar, hij keek boos en zijn ogen waren donker.
Ik stopte met fietsen en liep naar haar toe.
Mijn fiets zette ik tegen een lantaarnpaal.
Ik voelde de kou van het metaal in mijn handen.
"Gaat het?" vroeg ik.
Ze antwoordde niet meteen, maar ze wees naar de man.
"Hij duwde me," zei ze zacht en haar stem trilde.
De man keek naar ons en liep snel weg, bijna rennend.
Ik belde meteen de politie.
Mijn handen trilden een beetje.
De politie kwam binnen tien minuten.
Ze waren vriendelijk en stelden vragen.
De vrouw, die Linda heette, vertelde wat er gebeurd was.
Ze zei dat de man haar van achteren duwde.
Ze huilde nog een beetje toen ze het vertelde.
De politie zocht de man en vond hem later op de dag.
Het bleek dat hij al vaker vrouwen had mishandeld op de fiets.
Hij was boos op fietsers, zei hij.
De politie nam hem mee naar het bureau.
Linda moest naar het ziekenhuis voor controle, maar ze had gelukkig niets gebroken.
Ze had alleen een schaafwond op haar knie.
De wond was niet groot, maar het bloedde een beetje.
De verpleger maakte het schoon en plakte er een pleister op.
Ik voelde me raar na dit voorval.
Het was zo onverwacht.
Normaal gesproken fiets ik zonder zorgen door de stad.
Nu keek ik de hele dag om me heen.
Mijn collega's merkten dat ik stil was.
"Wat is er?" vroeg Marieke.
Ik vertelde het verhaal.
Ze schudde haar hoofd.
"Wat een gek," zei ze.
"Maar goed dat je hielp." Ze gaf me een kop koffie.
De koffie was warm en rook sterk.
Ik nam een slok en voelde me iets beter.
Thuis dacht ik er nog over na.
Ik zat op de bank en keek naar het raam.
De lucht was donker geworden en ik zag de lichten van de stad.
Ik had Linda nooit eerder ontmoet, maar ik voelde me verbonden met haar.
We waren allebei gewoon aan het fietsen.
Het had mij ook kunnen overkomen.
Ik besloot haar een berichtje te sturen.
Ze antwoordde dat ze zich beter voelde en dat ze blij was met mijn hulp.
Het bericht maakte me blij.
Vandaag fietste ik weer naar mijn werk.
Het was bewolkt, maar ik voelde me sterker.
De lucht was grijs en er viel een beetje regen.
De druppels vielen op mijn gezicht en voelden fris.
Ik keek nog steeds om me heen, maar niet uit angst.
Ik keek of ik anderen kon helpen.
Soms gebeuren er rare dingen in het leven.
Maar je kunt er ook iets goeds uit halen.
Ik denk aan Linda en hoop dat ze snel helemaal beter is.
Het was een vreemde dag, maar ik ben blij dat ik er was.
Ik denk dat ik morgen weer ga fietsen, met een open blik en een vriendelijk hart.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze