

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Welkom bij deze zachte reis.
Vanavond gaan we samen naar een boerderij.
Doe je ogen langzaam dicht.
Adem rustig in en rustig uit.
Je hoeft nu niets te doen.
Je mag gewoon luisteren en ontspannen.
Je lichaam voelt zwaar en warm.
Je hoofd voelt zacht en licht.
Stel je voor, je loopt op een pad.
Het pad is van zand en gras.
Het pad gaat door een groene wei.
De wei is wijd en open.
De lucht is blauw met zachte wolken.
De zon schijnt warm op je gezicht.
Je voelt een beetje wind op je huid.
De wind is zacht en koel.
Je ademt diep in.
De lucht ruikt naar gras en bloemen.
Ruiken betekent geur voelen met je neus.
Je neus vangt de geur van de wei.
Je loopt verder, langzaam over het pad.
Je stappen maken geen lawaai.
Lawaai betekent hard geluid.
Hier is geen lawaai, alleen rust.
In de verte zie je een boerderij.
De boerderij is oud en bruin.
De boerderij heeft een rood dak.
Het dak is van oude planken.
Planken zijn platte stukken hout.
Je ziet veel planken op het dak.
Rondom de boerderij staan grote bomen.
De bomen zijn groen en stil.
Je loopt dichter naar de boerderij toe.
Je voeten voelen zacht op het gras.
Dan zie je de koeien in de wei.
De koeien eten rustig gras.
De koeien zijn wit met zwarte vlekken.
Een vlek is een stuk kleur.
De koeien bewegen heel langzaam.
De koeien kijken rustig om zich heen.
Een koe kijkt naar jou.
De koe heeft zachte, bruine ogen.
De koe kauwt langzaam op het gras.
Kauwen betekent iets in je mond breken.
Je hoort het zachte geluid van kauwen.
Je hoort ook de wind in de bomen.
Ergens in de verte loeit een koe.
Loeien is het geluid van een koe.
Het geluid is zacht en diep.
Het geluid komt door de wei naar jou.
Je voelt je heel rustig en veilig. De boerderij is een kalm plekje. Je loopt langzaam verder naar het huis. De boerin staat bij de deur. Een boerin is een vrouw op een boerderij. De boerin lacht vriendelijk naar jou. De boerin draagt een blauwe schort. Een schort beschermt haar kleren tegen vuil. De boerin zegt: welkom op mijn boerderij.
Je zegt zachtjes: dank je wel.
De boerin vraagt of je kaas wil zien.
Je knikt langzaam ja.
Jullie lopen samen naar de grote schuur.
Een schuur is een gebouw bij een boerderij.
De schuur is van oude bruine stenen.
De deur van de schuur is groot.
De boerin duwt de deur open.
Binnen is het koel en donker.
Je stapt zachtjes naar binnen.
Je ogen wennen aan het zachte licht.
In de schuur ruikt het heerlijk.
Het ruikt naar melk en hooi.
Hooi is droog gras voor dieren.
De koeien eten hooi in de winter.
De geur is warm en zoet.
Je ademt de geur diep in.
Je voelt je al rustiger nu.
Je schouders worden zwaar en zacht.
In de schuur staan grote houten planken.
Op de planken liggen gele ronde kazen.
De kazen zijn groot en zwaar.
De kazen rijpen langzaam op de planken.
Rijpen betekent wachten tot iets klaar is.
ENDe kaas rijpt weken of maanden lang.
Sommige kazen zijn klein en jong.
Sommige kazen zijn groot en oud.
De oude kazen hebben een donkere korst.
Een korst is de harde buitenkant.
De jonge kazen hebben een zachte gele korst.
Elke kaas heeft een eigen naam.
De boerin pakt een doek in haar hand.
Ze veegt zachtjes over een kaas.
De doek maakt de kaas glad en mooi.
De kaas glanst nu in het zachte licht.
Je kijkt stil naar de planken vol kaas.
De rijen kaas lijken eindeloos lang.
Eindeloos betekent zonder einde.
De geur van kaas vult de hele schuur.
Je voelt je rustig en op je gemak.
Je hoort alleen het ruisen van de wind.
Ruisen is een zacht geluid van wind of water.
Het ruisen komt door een klein raam.
Buiten loeien de koeien zachtjes door.
De koeien staan nog in de groene wei.
De boerin laat je de oudste kaas zien.
Deze kaas is al een jaar oud.
De kaas is donkergeel en hard.
De boerin zegt: deze is bijna klaar. De boerin snijdt een klein stukje eraf. Ze geeft het kleine stukje aan jou. Je proeft voorzichtig de oude kaas. De smaak is diep en zoet en zout. Proeven is iets kleins in je mond nemen. Je proeft de kaas heel langzaam. Je voelt de smaak op je tong. Je kauwt heel langzaam en stil.
De smaak maakt je warm van binnen.
Je glimlacht rustig naar de boerin.
Jullie lopen weer naar buiten, in het zonlicht.
De wei is groen en wijd.
De koeien staan nog steeds rustig in de wei.
De koeien kijken naar jou, als vrienden.
Je loopt langzaam naar de wei.
Een klein hek staat tussen jou en de koeien.
Een hek is een lage muur van hout.
Het hek is oud en heeft groen mos.
Mos is zacht en groen op oud hout.
Je vingers voelen het koele mos.
Het mos voelt als zachte stof.
Je vingers blijven er even op rusten.
Een kleine koe loopt naar het hek.
De kleine koe heet een kalf.
Een kalf is een jonge koe.
Het kalf is bruin met een witte kop.
Het kalf kijkt nieuwsgierig naar jou.
Nieuwsgierig betekent graag iets nieuws zien.
Het kalf heeft zachte grote ogen.
Het kalf ademt rustig met een klein neusje.
Je steekt voorzichtig je hand uit.
Het kalf ruikt aan je hand.
De neus van het kalf voelt warm en nat.
Je glimlacht heel zachtjes.
Het kalf keert rustig terug naar zijn moeder.
De moeder koe kauwt verder op het gras.
Je leunt tegen het oude hek aan.
Leunen betekent rusten tegen iets aan.
Je ademt rustig in en uit.
Je voelt geen zorgen meer in je hoofd.
Boven de wei zie je een vogel.
De vogel vliegt in grote zachte cirkels.
De vogel maakt een zacht geluid.
Het geluid lijkt op een zachte fluit. De vogel zoekt een rustig plekje.
De vogel landt op een oude boom.
De boom heeft dikke groene bladeren.
De bladeren bewegen zachtjes in de wind.
Je hoort het ruisen van de bladeren.
Het geluid klinkt als zachte muziek.
Alles om jou heen is rustig en zacht. Je ademt steeds rustiger en dieper. De boerin roept je zachtjes naar binnen. Ze heeft warme melk voor jou gemaakt. Je loopt langzaam terug naar de boerderij. De boerin heeft een kleine keuken. De keuken is warm en gezellig. Op de tafel staat een grote mok. De mok is wit en rond. In de mok zit warme zoete melk. De melk is vers van de koe. Vers betekent net gemaakt, heel nieuw.
Je pakt de mok in je handen.
De mok voelt warm en zwaar.
Je ruikt de zachte geur van melk.
De geur is warm en zoet.
Je neemt een kleine slok van de melk.
De melk smaakt rijk en romig.
Romig betekent dik en zacht en mild.
De smaak vult je hele mond.
Je voelt je warm van binnen nu.
De warme melk geeft je een veilig gevoel.
De boerin gaat tegenover je zitten.
De boerin vertelt over haar boerderij.
De boerderij is al heel oud.
De boerderij was al van haar opa.
De boerin had vroeger twintig koeien.
Nu heeft de boerin nog tien koeien.
De koeien geven elke dag melk.
Van de melk maakt de boerin kaas.
Je luistert rustig naar de zachte stem.
De zachte stem maakt je slaperig.
Slaperig betekent moe en bijna in slaap.
Je ogen worden al een beetje zwaar.
De boerin ziet dat je moe wordt.
Ze wijst naar een zachte stoel bij het raam.
De stoel heeft een warm, wollen kussen.
Wol komt van een schaap.
Zacht en warm.
Je gaat langzaam in de stoel zitten.
Het kussen voelt zacht onder je rug.
Je rust je hoofd tegen het kussen.
Je ogen willen langzaam dicht.
Door het raam zie je de wei.
De koeien staan nog rustig buiten.
Het licht wordt zachter en geler.
De zon gaat langzaam naar beneden.
De lucht wordt roze en oranje.
De wolken zijn zacht als watten.
Watten zijn heel zachte witte stofjes.
De wolken lijken precies op watten.
De zon raakt de horizon aan.
Horizon is waar hemel en aarde elkaar raken.
ENDe wereld wordt stiller en stiller.
Je voelt de stilte in je hele lichaam.
Je ademt in, heel diep en langzaam.
Je ademt uit en je schouders zakken.
Zakken betekent naar beneden gaan.
Je hele lichaam wordt zwaar en rustig.
De boerin loopt zachtjes naar de koeien.
Ze fluit een klein liedje.
Het liedje klinkt ver en zacht.
Het liedje past bij de rustige avond.
De koeien lopen langzaam naar de schuur.
Elke koe kent haar eigen plek.
De koeien gaan straks rustig slapen.
De schuur is warm en droog binnen.
Je hoort zachte stappen op het gras.
Je hoort de deur van de schuur kraken.
Kraken is een zacht houten geluid.
Het geluid is rustig en vertrouwd.
In je stoel voel je je veilig.
Er is niets te doen, alleen rusten.
Je denkt aan de warme kaas op de planken.
Je denkt aan de zoete melk in je mond.
Je denkt aan het zachte bruine kalf.
Je denkt aan de bladeren in de wind.
Al deze dingen zijn stil en mooi.
Al deze dingen zijn heel rustig.
De wind waait zachtjes door het raam.
De wind ruikt naar gras en bloemen.
Je voelt de wind op je gezicht.
De wind is koel en zacht.
Je ogen worden steeds zwaarder nu.
Je mag je ogen dicht doen.
Je voelt je helemaal rustig en warm.
Je lichaam zakt dieper in de stoel.
In de verte hoor je een klok.
De klok slaat acht zachte slagen.
De klok is oud en houten.
Elke slag klinkt als een zachte noot.
Een noot is een stukje muziek.
De klok maakt een heel klein concert.
Na de klok wordt het weer stil.
Alleen de wind ruist in de bomen.
Je adem wordt zachter en trager.
Je hoofd voelt licht als een veer.
Een veer is heel licht en zacht.
Veren komen van vogels, heel klein.
Je denkt aan de vogel in de boom.
De vogel slaapt nu ook in de takken.
Alles rondom jou gaat rustig slapen.
De koeien slapen op het hooi.
De kazen rusten stil op de planken.
De vogels rusten stil in de bomen.
De bloemen in de wei sluiten hun blaadjes.
De wind wordt zachter in het donker.
Alles om jou heen vindt rust.
Alles om jou heen is zacht en stil.
De boerin komt weer rustig binnen.
De boerin brengt een warme deken.
Een deken is een warme, zachte doek.
De deken is groot en wollen.
De boerin legt de deken over jou.
Je voelt de deken heel zwaar en warm.
Onder de deken ben je helemaal veilig. Onder de deken voel je geen kou. De boerin zegt: slaap zacht, lieve gast. De boerin loopt zachtjes weg. Je hoort haar stappen langzaam verdwijnen. Verdwijnen betekent niet meer zien of horen. Nu ben je alleen in de warme kamer, maar je voelt je niet alleen. De boerderij is om je heen, warm en stil.
De koeien zijn vlakbij, veilig in de schuur.
Je voelt de warmte van de kamer.
Je voelt de zachte deken op je lichaam.
Je ogen zijn nu bijna helemaal dicht.
Je ademt zacht en langzaam.
Adem in door je neus, heel rustig.
Uit door je mond, heel zacht.
Telkens als je ademt, word je rustiger.
Telkens als je ademt, word je zwaarder.
De stilte om je heen is diep.
De stilte voelt als een grote, zachte deken.
Je hoort alleen nog je eigen adem.
Je adem is zacht en diep.
In de verte hoor je heel zachtjes een koe, een beetje slaperig.
Het geluid van de koe is vriendelijk.
Het geluid zegt, alles is goed.
Alles is helemaal goed vanavond op de boerderij.
Alles is warm, rustig en veilig hier.
Je voelt je klein en beschermd.
Beschermen betekent iemand veilig houden voor kou.
De deken beschermt jou tegen de kou.
De deken is je zachte vriend.
Je voelt een zachte warmte in je buik.
Je voelt een rustig gevoel in je hart.
Je hart klopt heel langzaam en kalm.
Kloppen is het geluid van je hart.
Je hart zegt, ik ben rustig.
Je hart zegt, ik mag slapen.
Buiten wordt het helemaal donker.
De sterren komen langzaam tevoorschijn.
Sterren zijn kleine lichtjes aan de hemel.
Je ziet een ster door het raam.
De ster is klein en wit en helder.
De ster lijkt naar jou te kijken.
Meer sterren komen nu tevoorschijn.
De hemel vult zich met kleine lichtjes.
De maan staat boven de wei.
De maan is groot en rond en wit.
Het licht van de maan is zacht.
Het licht maakt de wei zilver.
Zilver is een mooie, lichte kleur.
Alles onder de maan wordt stil en zilver.
De koeien slapen nu diep in de schuur.
De koeien liggen zacht op het hooi.
De kleine koe, het kalf, ligt bij zijn moeder.
Het kalf slaapt diep en rustig.
De vogel slaapt ook in de boom.
De vogel ademt langzaam onder zijn veren.
De kazen blijven rusten op de planken.
De kazen worden langzaam ouder en mooier.
In de keuken tikt zachtjes de klok.
De klok is vriendelijk en langzaam.
Tikken is het zachte geluid van de klok.
Elke tik is een stap naar slaap.
Je ademt met het ritme van de klok.
Ritme is een rustige beweging in herhaling.
Je ademt rustig in en heel langzaam uit.
Adem rustig in en heel langzaam uit.
Elke ademhaling maakt je zwaarder en zachter.
Elke ademhaling brengt je dichter bij slaap.
Je hoeft niet meer na te denken.
Je hoeft niet meer wakker te blijven.
De boerderij waakt rustig over jou.
Waken betekent wakker zijn voor iemand anders.
De koeien waken met hun rustige adem.
De sterren waken met hun zachte licht.
Je bent veilig hier.
Heel erg veilig.
Je mag nu rustig wegzakken in slaap.
Wegzakken is langzaam naar beneden gaan.
Wegzakken in slaap is heel fijn.
ENJe lichaam wordt nu heel zwaar.
Je armen liggen los en warm.
Je benen voelen zwaar en rustig.
Je voeten zijn helemaal warm en zacht.
Je rug leunt tegen het zachte kussen.
Je hoofd rust diep op het kussen.
Je gezicht is zacht en rustig nu.
Je voorhoofd is glad en kalm.
Je kaken zijn los en warm.
Je mond is zacht en licht.
In je buik voel je rustige warmte.
De warmte komt van de melk en de kaas.
In je hart voel je rustige vrede.
Vrede betekent geen zorgen, alleen stilte.
Vrede past bij deze rustige avond.
Vrede past bij de warme boerderij. Alles om jou heen fluistert: slaap maar. Alles fluistert heel zacht en langzaam. Fluisteren is praten met een hele zachte stem. De bladeren fluisteren. De wind fluistert ook. De koeien fluisteren met hun rustige adem. Alles zegt: kom bij ons slapen. Je bent niet meer bang of bezorgd.
Je bent helemaal veilig op deze plek.
Bezorgd zijn betekent aan problemen denken.
Hier denk je niet aan problemen.
Hier is alleen rust, warmte en liefde.
De boerderij houdt je zacht vast.
Je ogen worden nu heel erg zwaar.
Je oogleden sluiten zich langzaam en zacht.
Oogleden zijn de huid over je ogen.
Je oogleden zijn helemaal dicht nu.
Je ademt langzaam.
Heel langzaam.
Heel zacht.
Je ademt langzaam.
Heel diep.
Heel rustig.
Je bent nu helemaal rustig en warm.
Je bent nu helemaal zacht en veilig.
Buiten blijven de sterren zachtjes schijnen.
Buiten blijft de maan rustig staan.
De boerderij staat stil in het maanlicht.
De wereld is stil en vol sterren.
Je mag nu helemaal alles loslaten.
Loslaten betekent niets meer vasthouden in je hoofd.
Laat de dag nu zachtjes wegglijden.
Laat alle gedachten zachtjes van je afglijden.
Wegglijden is zachtjes weggaan als water.
Jouw gedachten glijden weg als water.
Alleen warmte en rust blijven bij jou.
Alleen zachte stilte blijft bij jou.
De boerderij droomt samen met jou.
De koeien dromen zacht in de schuur.
Dromen is mooi denken tijdens slapen.
ENDromen kunnen heel fijn en warm zijn.
Je mag nu ook dromen, rustig en diep.
Je mag dromen van kaas en melk.
Je mag dromen van koeien in de wei.
Je mag dromen van zachte vogels.
Je mag dromen van warme zomerwinden.
Je mag dromen van rustige groene velden.
Alles om je heen is heel zacht.
Alles om je heen is warm en stil.
Je voelt hoe de slaap jou omringt.
Omringen betekent rondom jou zijn.
De slaap is een zachte vriend.
De slaap nodigt jou vriendelijk uit.
Je zegt ja tegen de zachte slaap.
Je geeft jezelf over aan de rust.
Langzaam, langzaam wordt alles om je heen vager.
Vager betekent minder duidelijk en zachter.
De kamer verdwijnt in een zachte mist.
De sterren verdwijnen in een zachte mist.
Alles lost rustig op in de slaap.
Oplossen betekent langzaam weggaan in iets anders.
Er is niets meer om aan te denken.
Er is niets meer om te voelen.
Alleen zachte warmte blijft bij jou.
Alleen zachte rust blijft bij jou.
Je ogen worden zwaar.
Je ademt langzaam.
Je bent rustig.
Slaap zacht.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze