

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben een man, en ik ga naar de camping.
Ik ga met mijn kinderen.
Ik heb een auto en een tent.
Wij zijn nu op de camping.
Ik zie veel dingen.
Er staat een grote caravan naast onze tent.
De caravan is rood en heel groot.
Een vrouw komt uit de caravan.
Zij lacht en zegt, hallo, ik ben de buurvrouw.
Mijn kinderen spelen bij de caravan.
Zij lachen ook.
Ik drink een kop koffie.
Het is goed op de camping.
Dan zie ik iets bijzonders.
Er is een dak op de caravan.
Op het dak zijn zonnepanelen.
Ik kijk en denk, wat is dit?
Ik heb dit nog nooit gezien.
Dit is heel bijzonder.
Ik ga naar de vrouw.
Ik zeg, ik zie de zonnepanelen.
Dit is heel bijzonder.
De vrouw lacht en zegt, ja, wij hebben zonnepanelen op de caravan.
Dit is goed voor het milieu.
Ik ga terug naar mijn tent.
Ik denk, dit is heel bijzonder.
Ik heb dit nog nooit gezien op de camping.
Mijn kinderen komen naar mij.
Ik zeg, hebben jullie de zonnepanelen gezien?
Mijn kinderen zeggen, ja, dit is heel bijzonder.
De dag op de camping is goed.
Ik zie veel bijzondere dingen.
Ik heb een verhaal voor mijn werk.
Ik ga het verhaal vertellen.
Ik ben blij.
De camping is goed.
De kinderen zijn blij.
Wij zien veel bijzondere dingen.
Dit is een goede dag.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze