

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Hallo, ik ben Rick.
Welkom bij deze rustige podcast.
Welkom bij deze avond van stilte.
Deze avond gaan wij samen wandelen.
Wij wandelen alleen in onze gedachten.
Doe je ogen heel langzaam dicht.
Adem rustig in door je neus.
Adem rustig weer uit door je mond.
Voel hoe je lichaam op het bed ligt.
voel het zachte kussen onder je hoofd.
Je hoofd is heel zwaar en moe.
Voel de deken over je lichaam.
De deken is warm en zacht.
Adem nog eens langzaam in, adem heel zacht weer uit.
Laat je schouders helemaal zakken.
Laat je handen langs je lichaam rusten.
Je hoeft nergens aan te denken.
Je hoeft alleen te luisteren en te ademen.
Vanavond gaan wij naar Drenthe.
Drenthe is een rustige provincie in Nederland.
Drenthe ligt in het noorden van het land.
In Drenthe zijn veel oude bossen.
De bossen van Drenthe zijn heel stil.
In de bossen wonen kleine dieren.
Wij gaan samen door zo'n bos wandelen.
Je loopt langzaam met mij mee.
Het is een zachte avond in Drenthe.
De lucht is grijs en een beetje koel.
Stel je voor dat je bij een bos staat.
Voor je ligt een smal pad.
Een pad is een smalle weg voor wandelaars.
Dit pad gaat zacht het bos in.
Het pad is bedekt met groen mos.
mos.
Mos is een klein, zacht plantje op de grond.
Het mos voelt als een zachte mat.
Je voeten zakken er een beetje in weg.
Je zet langzaam je eerste stap.
Je voelt het zachte mos onder je voet.
Het bos sluit zich rustig om je heen.
De bomen staan hoog aan beide kanten.
Je ademt diep de koele lucht in.
De lucht ruikt naar bomen en aarde.
Aarde is de grond waar planten in groeien.
De aarde hier ruikt fris en nat.
Je zet nog een stap op het pad.
Je voelt je lichaam rustig worden.
Boven je hoofd staan de grote bomen.
De bomen vormen een groen dak.
Door de bladeren valt heel zacht licht.
Het licht is groen en heel rustig.
De bladeren fluisteren zacht in de wind.
Fluisteren is heel stil praten.
ENJe blijft even staan op het pad.
Je sluit heel langzaam je ogen.
Je luistert naar het zachte gefluister.
De bladeren praten heel, heel zacht.
Je opent je ogen weer rustig.
Je loopt verder over het pad.
Links en rechts zie je oude bomen.
Een boom heeft een dikke bruine stam.
Op de boom groeit heel veel mos.
Het mos is zacht, groen en vochtig.
Je legt je hand op de oude boom.
De stam voelt koel en een beetje ruw.
De boom staat hier al heel lang.
Misschien wel honderd jaar of langer.
Je haalt je hand weg van de boom.
Je ademt diep en rustig in.
Je loopt rustig verder over het pad.
Het pad maakt een zachte bocht naar links.
Dichter betekent hier dat er meer bomen staan.
Het is nu nog stiller in het bos.
Je hoort alleen je eigen rustige adem.
Je hoort ook heel zacht je stappen.
Je stappen zijn zacht op het mos.
Op de grond liggen oude bladeren.
De bladeren zijn bruin, geel en oranje.
De takjes kraken heel zacht onder je voeten.
Kraken is het geluid van droog hout.
Het is een klein, rustig, zacht geluid.
Je blijft even stilstaan.
Je luistert naar de kleine geluiden.
Ergens hoog in een boom zingt een vogel.
De vogel zingt een kort, zacht liedje.
Dan is het weer stil in het bos.
De stilte is warm en heel diep.
Je ademt rustig in en uit.
Je voelt je schouders nog dieper zakken.
Je loopt voorzichtig verder.
Het pad gaat nu langs oude stenen.
De stenen zijn groot en rond.
De stenen zijn helemaal bedekt met mos.
Deze stenen liggen hier al heel lang.
Mensen hebben de stenen nooit verplaatst.
Je gaat even naast een steen staan.
Je kijkt naar het dikke groene mos.
Het mos groeit langzaam over de steen.
Het mos is zacht als een kussen.
Je raakt heel voorzichtig het mos aan.
Het mos voelt koel en zacht.
Je haalt je hand weer langzaam terug.
Je loopt rustig verder langs de stenen.
Na de stenen wordt het pad smaller.
Aan beide kanten staan groene varens.
Een varen is een plant met veel blaadjes.
De blaadjes zijn lang en zacht.
De varens zijn hoog tot aan je heupen.
De varens bewegen met de zachte wind.
Je loopt tussen de varens door.
De varens raken je handen heel zachtjes aan.
Het is koel en groen tussen de varens.
Het ruikt naar natte grond en mos.
Je ademt diep in door je neus.
De koele lucht vult je borst.
Je ademt heel rustig weer uit.
Je voelt je nog rustiger worden.
Na de varens zie je iets glanzen.
Glanzen betekent dat iets licht teruggeeft.
Tussen de bomen loopt een klein beekje.
Een beekje is smal stromend water.
Het beekje is helder en heel rustig.
Het water stroomt langzaam over de grond.
Je loopt voorzichtig naar het beekje toe.
Je hoort het water heel zacht ruisen.
Ruisen is het zachte geluid van water.
Het klinkt als een klein liedje.
Je gaat naast het water op je hurken zitten.
Op je hurken betekent bijna zitten.
In het water zie je kleine kiezels.
Een kiezel is een klein rond steentje.
De kiezels zijn wit, grijs en bruin.
Het water stroomt langzaam over de kiezels.
Je kijkt in het heldere water.
Je ziet je eigen gezicht een beetje.
Je gezicht is rustig en warm.
Je ademt heel rustig boven het water.
Je gaat zitten op een oude boomstam.
De boomstam ligt al jaren op de grond.
Op de boomstam groeien kleine paddenstoelen.
Een paddenstoel is een klein plantje met een hoedje.
De hoedjes zijn bruin, wit en rood.
De paddenstoelen staan stil in een rijtje.
Je raakt ze niet aan.
Je kijkt alleen.
Je kijkt rustig naar de kleine paddenstoelen.
Om je heen is het heel stil.
Alleen het water ruist heel zachtjes.
Plotseling zie je iets bewegen. Aan de andere kant van het beekje. Tussen de bomen staat een klein hert. Een hert is een rustig dier met bruine vacht. Het hert kijkt heel even naar jou. Het hert is helemaal niet bang.
Het hert buigt zijn hoofd naar het water.
Het hert drinkt heel voorzichtig.
Je zit heel stil op de boomstam.
Je ademt rustig en zacht.
Het hert drinkt nog een beetje water.
Dan kijkt het hert nog een keer op.
Het hert loopt heel langzaam tussen de bomen.
Het hert verdwijnt in de schaduw.
Schaduw is de donkere kant zonder licht.
Het hert is nu weg in de stilte.
Je glimlacht heel zachtjes in jezelf.
Je ademt heel langzaam weer uit.
Je voeten zakken zacht in het mos.
Je loopt voorzichtig verder langs het water.
Het kleine beekje stroomt rustig verder.
Tussen de bomen komt een lichte nevel.
Nevel is als dunne witte wolken op de grond.
De nevel is zacht en koud.
De nevel hangt stil tussen de bomen.
Het bos lijkt nu magisch en rustig.
Door de nevel zien de bomen er anders uit.
De bomen lijken op grote stille reuzen.
Een reus is een heel grote persoon.
Maar deze bomen zijn vriendelijke reuzen.
Je loopt langzaam door de witte nevel.
Je adem mengt met de koele nevel.
De nevel raakt zacht je gezicht.
De nevel voelt koel op je huid.
Je ogen worden een beetje zwaarder.
Je voeten worden ook zwaarder.
Maar je blijft rustig verder lopen.
Je hoeft nergens naartoe.
Je wandelt alleen door het bos.
Na een tijdje zie je weer oude paden.
Deze paden zijn heel oud.
Mensen lopen hier al eeuwen.
Een eeuw is honderd jaar lang.
Het bos heeft veel mensen gezien.
Maar nu is het bos alleen voor jou.
Je loopt rustig over het oude pad.
Je voeten gaan heel zacht over de aarde.
Je komt bij een grote oude boom.
Deze boom is echt heel groot.
ENDe stam is heel dik en sterk.
Drie mensen kunnen er niet hun armen omheen.
Je gaat bij de grote boom staan.
Je kijkt heel langzaam omhoog.
De takken gaan hoog de lucht in.
Je kunt de top bijna niet zien.
Je legt je hand op de oude stam.
De schors voelt ruw en warm.
Schors is de harde buitenkant van de boom.
De schors beschermt de boom tegen kou.
Je sluit je ogen bij de grote boom.
je ademt rustig samen met de boom langzaam in langzaam weer uit je voelt de rust van de oude boom deze boom heeft veel avonden gezien deze boom heeft veel winters gezien deze boom heeft veel zomers gezien.
Je haalt langzaam je hand terug.
Je bedankt de boom in stilte.
Je loopt verder over het oude pad.
De nevel wordt nog een beetje dikker.
Ver weg in de nevel zie je iets.
Er loopt nog een andere wandelaar.
De wandelaar draagt een donkere jas.
De wandelaar loopt ook heel rustig.
Jullie zwaaien niet.
Jullie zeggen niets.
Jullie delen alleen de stilte.
De wandelaar verdwijnt langzaam in de nevel.
Je bent weer alleen op het pad.
Maar je voelt je niet eenzaam.
Het bos is als een warme deken om je heen.
Je loopt rustig verder in de stilte.
Je voeten gaan langzaam op het mos.
Je komt bij een open plek.
Een open plek is een stuk bos zonder bomen.
In het midden groeit zacht groen gras.
Het gras is vochtig van de nevel.
Tussen het gras staan kleine witte bloempjes.
De bloempjes lijken op kleine sterretjes.
Je loopt heel voorzichtig op de open plek.
In het midden ga je langzaam zitten.
Het gras is zacht onder je handen.
De grond is koel onder het gras.
Je kijkt rond op de stille open plek.
De nevel danst langzaam boven het gras.
De bomen om de open plek zijn hoog.
De bomen zien eruit als stille wachters.
Een wachter is iemand die waakt over iets.
Deze bomen waken over het stille bos.
Je ademt diep en rustig in.
De koele lucht vult je hele lichaam.
Je ademt heel langzaam weer uit.
Je voelt je veilig en warm.
Boven de bomen is een stukje lucht.
De lucht is grijs en zacht paars.
Een paar kleine sterretjes komen al.
De sterretjes zijn klein en heel stil.
Je gaat langzaam achterover in het gras liggen.
Het gras houdt je zachtjes vast.
Je armen liggen naast je lichaam.
Je voeten zijn zwaar en warm.
Je kijkt naar de lucht boven de bomen.
Je ademt heel rustig in en uit.
In de verte hoor je nog een vogel.
Het is misschien een uil.
Een uil is een vogel van de nacht.
De uil roept heel zacht in het bos.
De uil roept nog eens heel zacht.
Dan is het weer helemaal stil.
De stilte is warm en groot.
De stilte houdt je lichaam rustig vast.
Je voelt hoe zwaar je benen zijn.
Je voelt hoe zwaar je armen zijn.
Je voelt hoe zacht het gras is.
Je voelt hoe koel de aarde is.
De nevel danst nog zacht boven je, de bomen waken stil boven je, het bos is stil, je lichaam is stil, je hoofd is stil, je hart is rustig, je ademt in met het zachte mos, je ademt uit met de koele wind, je ademt in met de oude bomen.
Je ademt uit met het heldere water.
Je ademt in met het groene gras.
Je ademt uit met de stille nevel.
Alles is stil.
ENAlles is zacht.
ENAlles is groen.
ENAlles is koel.
ENAlles is rustig, alles is veilig.
ENJe bent veilig in het bos van Drenthe.
Het oude bos past goed op jou.
Je denkt aan het zachte mos.
Het mos onder je voeten was heel zacht.
Je denkt aan het heldere beekje.
Het water ruiste heel zachtjes.
Je denkt aan het rustige hert.
Het hert dronk voorzichtig van het water.
Je denkt aan de grote oude boom.
De stam voelde sterk en warm.
Je denkt aan de stille wandelaar.
De wandelaar liep rustig in de nevel.
Je denkt aan het zachte, groene gras.
Het gras was koel en lief onder je hoofd.
Je voeten worden heel zwaar.
Je benen worden heel zwaar.
Je handen worden heel zwaar.
Je armen worden heel zwaar.
Je schouders worden heel zwaar.
Je hoofd wordt heel zwaar.
Je ogen worden zwaar. Je ademt langzaam. Je ademt heel langzaam in. Je ademt heel langzaam uit. Je bent rustig. Je bent veilig. Je bent warm. Je bent zacht. Het bos van Drenthe blijft stil. Het bos past op jou de hele nacht.
Slaap zacht.
Slaap zacht.
Slaap zacht in het stille bos.
Slaap zacht in Drenthe.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze