

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
RICK: Pfoe, de koffie is heet.
EMMA: Ja, mijn thee ook.
Lekker.
LARS: Ik heb chocolademelk.
Die is ook warm.
RICK: Zeker.
Het is koud buiten.
EMMA: Ja, echt koud.
LARS: Ik heb een krant.
Wil je de krant?
RICK: Ja, leuk.
Even kijken.
EMMA: Wat staat er in de krant?
RICK: Niet veel.
Reclame.
En hier, een kaart.
LARS: Oh, een kaart van de wereld.
EMMA: Ik zie Nederland.
Het is heel klein.
RICK: Haha, ja.
Nederland is niet groot.
LARS: Kijk, dat land is groot.
EMMA: Welk land is dat?
RICK: Dat is Brazilië.
Het is een heel groot land.
LARS: Wonen daar veel mensen?
RICK: Ja, heel veel mensen.
EMMA: En wat is dat land?
RICK: Even kijken.
Dat is Nicaragua.
LARS: Nicaragua?
Ik ken dat niet.
EMMA: Ik ook niet.
Is dat een stad?
RICK: Nee, het is een land.
Geen stad.
LARS: Is het een groot land?
RICK: Nee, niet echt groot.
En niet klein.
EMMA: Wonen daar ook veel mensen?
RICK: Niet zoveel als in Brazilië.
Maar best veel.
LARS: Spreken ze daar Nederlands?
RICK: Nee, ze spreken Spaans.
EMMA: Oh, Spaans.
Dat is een mooie taal.
LARS: Ik spreek geen Spaans.
Ik spreek Nederlands.
RICK: En een beetje Engels, Lars.
LARS: Ja, een heel klein beetje.
EMMA: Is het mooi in Nicaragua?
RICK: Ja, het is een heel mooi land.
LARS: Is het weer daar goed?
RICK: Ja, het is bijna altijd warm.
EMMA: Altijd warm?
Dat is fijn.
LARS: Hier is het nu koud en nat.
RICK: Ja, dat is Nederland in de herfst.
EMMA: Ik wil naar een warm land.
LARS: Ik ook.
Ik wil zon.
RICK: In Nicaragua heb je veel zon.
EMMA: Hebben ze daar ook stranden?
RICK: Ja, heel veel mooie stranden.
LARS: En hebben ze goede koffie?
RICK: Haha, ja.
De koffie daar is heel goed.
EMMA: Beter dan deze koffie?
RICK: Dat is een goede vraag.
Deze is ook lekker.
LARS: Mijn chocolademelk is bijna op.
EMMA: Mijn thee ook.
Nemen we nog iets?
RICK: Voor mij niet.
Ik moet zo gaan.
LARS: Ik ook, ik heb nog werk.
EMMA: Ja, ik ga ook naar huis.
RICK: Is het huis ver van hier?
EMMA: Nee, het is dichtbij.
Vijf minuten lopen.
LARS: Mijn huis is verder.
Ik heb de fiets.
RICK: Goed idee.
Met de fiets ben je snel.
EMMA: Zeker.
Het is een snelle fiets.
LARS: Het is een oude fiets, maar hij is goed.
RICK: Een goede fiets is belangrijk in Nederland.
EMMA: Ja, iedereen heeft een fiets.
LARS: Heb jij een auto, Rick?
RICK: Nee, ik heb geen auto.
Ik heb een fiets.
EMMA: Een auto is duur.
LARS: Ja, en parkeren is een probleem.
RICK: Precies.
Een fiets is makkelijk.
EMMA: Goed.
Ik ga betalen.
LARS: Ik betaal mijn deel.
RICK: Ik ook.
Hier is mijn geld.
EMMA: Oké, het is betaald.
LARS: Fijn.
Dan gaan we.
RICK: Ja.
Het was weer gezellig.
EMMA: Zeker.
Tot de volgende keer.
LARS: Ja, tot snel.
RICK: Goed, ik ga ook.
We spreken weer.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze