

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Rick, een leraar Nederlands uit Den Haag.
Gisteren zat ik in de klas met mijn studenten.
De zon scheen door het raam en ik hoorde de vogels buiten.
We hadden het over het nieuws.
Een van mijn studenten, Maria, komt uit Venezuela.
Ze was stil en keek naar haar handen.
Haar vingers bewogen zachtjes over de tafel.
Ik zag dat ze diep ademhaalde. ‘Wat is er, Maria?’ vroeg ik.
Mijn stem was rustig.
Ze zuchtte diep. ‘Ik hoorde van mijn familie dat het heel erg is in Venezuela.
Er zijn zoveel mensen die niet meer leven.
Bijna drieduizend mensen hebben ze gevonden.’ Ze slikte. ‘Het water kwam zo snel, zei mijn moeder.
Het maakte alles kapot.’ Ik schrok. ‘Dat is heel veel,’ zei ik. ‘Hoe gaat het met jouw familie?’ ‘Mijn moeder en vader wonen in Caracas,’ zei Maria. ‘Ze zijn veilig, maar het is moeilijk.
De wegen zijn kapot en er is geen stroom.
Mijn tante heeft haar huis verloren.
Het water nam alles mee, haar foto’s, haar kleren.
Ze slaapt nu bij een buurvrouw.’ Ik dacht aan mijn eigen leven in Den Haag.
Hier is alles rustig en veilig.
De straten zijn schoon, de lichten branden.
Maar voor Maria is de wereld anders.
Ze vertelde dat het water alles had meegenomen.
Huizen, auto’s, bomen.
Alles was weg.
Ik rook de koffie uit de keuken, maar ik voelde me niet goed. ‘Wat kunnen we doen?’ vroeg ik aan de klas.
Een andere student, Ahmed, zei: ‘We kunnen geld geven aan een organisatie.
Of spullen sturen.’ Hij keek naar Maria. ‘Ik heb een tante in Syrië.
Zij kreeg ook hulp.
Het helpt echt.’ Maria schudde haar hoofd. ‘Het is moeilijk om spullen te sturen.
Maar geld helpt wel.
Mijn familie zegt dat er mensen zijn die eten en water brengen.
Ze lopen door de straten met flessen en brood.’ Ik voelde me verdrietig.
Ik wilde helpen, maar ik wist niet hoe.
Toen kreeg ik een idee. ‘We kunnen een actie doen op school,’ zei ik. ‘We kunnen een pot neerzetten waar mensen geld in doen.
Het kleine beetje dat we geven, kan iemand helpen.’ De klas vond het een goed plan.
We maakten een mooie doos met een briefje erop. ‘Steun Venezuela,’ stond er.
Ik schreef het met een dikke zwarte stift.
De volgende dag stond er al geld in.
Vijftig euro.
Niet veel, maar het was een begin.
De munten glinsterden in het licht.
Maria glimlachte voor het eerst die dag. ‘Dank jullie wel,’ zei ze. ‘Dit betekent veel voor mij.’ Haar ogen werden nat.
Ze keek naar de doos. ‘Het is alsof jullie er zijn, ook al zijn jullie ver weg.’ Ik dacht aan de mensen in Venezuela.
Ze hebben het zwaar.
Het water heeft hun leven veranderd.
Maar kleine dingen, zoals een beetje geld of een vriendelijk woord, kunnen hoop geven.
Hoop is als een klein lichtje in het donker.
Na de les liep ik naar huis.
De zon scheen en de vogels zongen.
Het was een gewone dag in Den Haag.
Maar ik voelde me anders.
Ik dacht aan Maria en haar familie.
Ik dacht aan de mensen die alles verloren hadden.
De wind blies zachtjes door mijn haar.
Thuis maakte ik een kop koffie.
Ik keek naar de foto van mijn eigen familie.
We hebben geluk, dacht ik.
We zijn veilig en gezond.
Maar dat is niet voor iedereen zo.
De koffie was warm in mijn handen.
Ik besloot om elke maand wat geld te geven aan een organisatie die mensen helpt in Venezuela.
Het is niet veel, maar het is iets.
En soms is iets genoeg.
Ik voelde me rustiger.
Misschien kan ik later meer doen.
Maar voor nu is dit mijn bijdrage.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze