Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Regular

Conjugación de Dromen

dromen = soñar

Infinitivo
dromen
Pasado
droomde · droomden
Perfecto
heeft gedroomd

Respuesta rápida

Dromen significa soñar. Pasado: droomde (singular) y droomden (plural). Participio: gedroomd, con hebben: ik heb gedroomd.

Practica dromen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikdroom
jijdroomt
hij/zij/hetdroomt
wijdromen
julliedromen
zijdromen

Pasado (verleden tijd)

ikdroomde
jijdroomde
hij/zij/hetdroomde
wijdroomden
julliedroomden
zijdroomden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gedroomd
jijhebt gedroomd
hij/zij/hetheeft gedroomd
wijhebben gedroomd
julliehebben gedroomd
zijhebben gedroomd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gedroomd
jijhad gedroomd
hij/zij/hethad gedroomd
wijhadden gedroomd
julliehadden gedroomd
zijhadden gedroomd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal dromen
jijzult dromen
hij/zij/hetzal dromen
wijzullen dromen
julliezullen dromen
zijzullen dromen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou dromen
jijzou dromen
hij/zij/hetzou dromen
wijzouden dromen
julliezouden dromen
zijzouden dromen

Practica dromen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es droom. En el infinitivo dromen hay una m antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (droomde, droomden) y el participio termina en -d (gedroomd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij droomt, pero droom jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de dromen?

droomde (ik, jij, hij/zij/het) y droomden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de dromen?

gedroomd, con hebben: ik heb gedroomd.

¿El verbo dromen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gedroomd, hij heeft gedroomd.

Más verbos

Todos los verbosComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.